Chapter, Verse
1 1, 16| handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor
2 2, 12| is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt
3 2, 16| vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van
4 5, 2 | beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende
5 10, 8 | eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen,
6 11, 3 | 3 Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden,
7 11, 15| hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten
8 11, 24| zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~
9 12, 12| hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel?
10 12, 12| gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen als
11 12, 26| bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen,
12 13, 17| en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een
13 14, 1 | 1 WEDEROM iemand die zich toerust om scheep te gaan
14 16, 7 | 7 Want wie zich daartoe keerde, werd niet
15 16, 18| 18 Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij niet
16 17, 2 | de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige
17 18, 10| beweend werden, verspreidde zich ginds en weder.~
18 18, 21| het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap en maakte
|