Chapter, Verse
1 2, 2 | waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en
2 2, 3 | wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid gelijk
3 2, 4 | 4 En onze naam wordt mettertijd vergeten,
4 2, 4 | vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven
5 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw die
6 2, 5 | daar is geen wederkeren van onze dood, want die is verzegeld
7 2, 9 | zonder deel te hebben aan onze vermetelheid; laat ons overal
8 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet der
9 2, 12| nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de
10 2, 16| en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden:
11 5, 14| deugd tonen, maar zijn in onze boosheid verteerd geworden.~
12 7, 16| zijn hand zijn beide wij en onze woorden, ook allerlei kloekheid
13 9, 14| mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.~
14 12, 22| tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend maal
15 15, 1 | 1 MAAR gij onze God zijt goedertieren en
16 15, 7 | maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde
17 16, 8 | En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan,
18 18, 6 | Diezelfde nacht was tevoren onze vaderen bekend geworden,
|