Chapter, Verse
1 1, 1 | richt; hebt van de Here een goed gevoelen en zoekt hem
2 1, 4 | wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken
3 1, 4 | omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.~
4 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende geest, doch
5 1, 6 | lippen lastert, want God is een getuige zijner nieren, en
6 1, 6 | getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker zijns
7 1, 6 | opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.~
8 1, 16| geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten
9 1, 16| zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht;
10 1, 16| waardig, dat zij het tot een deel hebben.~
11 2, 2 | snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een
12 2, 2 | een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de
13 2, 4 | gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid
14 2, 4 | wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen
15 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat,
16 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want
17 2, 13| heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.~
18 2, 14| Hij is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.~
19 2, 18| indien de rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij
20 2, 20| 20 Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen,
21 2, 23| onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur.~
22 3, 3 | ons schijnt hun te zijn een vernieling, maar zij zijn
23 3, 5 | 5 Zijnde een weinig getuchtigd geweest,
24 3, 6 | beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen
25 3, 6 | smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.~
26 3, 14| want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade des geloofs,
27 3, 14| uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot in de
28 3, 16| worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen.~
29 4, 2 | toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat
30 4, 4 | hoewel zij in de takken voor een tijd weder uitspruiten,
31 4, 8 | veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten
32 4, 9 | dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte
33 4, 12| omdrijving van de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad
34 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en
35 5, 3 | lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.~
36 5, 9 | zijn voorbijgegaan gelijk een schaduw, en gelijk een voorbijlopende
37 5, 9 | gelijk een schaduw, en gelijk een voorbijlopende tijding.~
38 5, 10| 10 Gelijk een schip varende door de baren
39 5, 12| 12 Of gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten
40 5, 15| van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de
41 5, 15| gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een
42 5, 15| een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt;
43 5, 15| wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid
44 5, 17| Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een
45 5, 17| een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand
46 5, 18| zal zijn ijver nemen tot een gehele wapenrusting, en
47 5, 19| gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd
48 5, 19| tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten
49 5, 19| ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm.~
50 5, 20| zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild,~
51 5, 21| gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld zal
52 5, 22| heengaan, en gelijk als van een welgespannen boog uit de
53 5, 23| geworpen worden, als uit een slinger der gramschap; het
54 5, 24| hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en
55 6, 5 | zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan
56 6, 8 | Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen.~
57 6, 24| behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks
58 7, 1 | 1 IK ben ook een sterfelijk mens, alle anderen
59 7, 5 | 5 Want geen koning heeft een ander begin gehad zijner
60 7, 6 | het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.~
61 7, 9 | aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is
62 7, 10| verkoren om te hebben tot een licht; want de glans uit
63 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet afneemt;
64 7, 21| wijsheid, die van alle dingen een kunstenares is, heeft ze
65 7, 22| 22 Want in haar is een geest die verstandig is,
66 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, en
67 7, 25| damp der kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing der
68 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen
69 7, 26| des eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods
70 7, 26| Gods werkende kracht, en een beeld zijner goedheid.~
71 8, 2 | gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een
72 8, 2 | een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.~
73 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der wetenschap
74 8, 4 | wetenschap Gods, en doet een keuze uit zijn werken.~
75 8, 5 | 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting
76 8, 9 | hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, in zorg
77 8, 11| gezicht der machtigen zal ik een verwondering zijn.~
78 8, 13| onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis degenen
79 8, 15| vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis
80 8, 18| gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik
81 8, 19| 19 Ik nu was een goedaardig kind, en had
82 8, 19| goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.~
83 8, 20| goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.~
84 9, 5 | ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een
85 9, 5 | een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig
86 9, 7 | Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en
87 9, 7 | koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en
88 9, 8 | Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg
89 9, 8 | heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning,
90 10, 4 | regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout.~
91 10, 7 | Van welker boosheid nog een getuigenis is dat rokende
92 10, 8 | maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun
93 10, 14| beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven.~
94 10, 17| en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun
95 10, 17| en is hun geworden tot een deksel des daags, en des
96 10, 17| daags, en des nachts tot een vlam der sterren.~
97 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en
98 11, 4 | hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing
99 11, 4 | en genezing van dorst uit een harde steen.~
100 11, 7 | Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende
101 11, 11| Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd,
102 11, 11| onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.~
103 11, 13| 13 Want een dubbel verdriet beving hen
104 11, 13| dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis
105 11, 15| uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.~
106 11, 16| beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige
107 11, 18| niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante
108 11, 18| heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute
109 11, 19| grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven,
110 11, 19| vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide
111 11, 19| uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke
112 11, 21| zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen,
113 11, 21| geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle
114 11, 23| wereld is voor u gelijk een aasje uit de weegschalen,
115 11, 23| uit de weegschalen, en als een droppel van de morgendauw,
116 12, 9 | onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen
117 12, 9 | vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe
118 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad van den beginne;
119 12, 12| tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige
120 12, 25| hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden,
121 12, 27| hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds
122 13, 10| en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het
123 13, 10| steen, zijnde het werk van een oude hand.~
124 13, 11| 11 En indien ook een timmerman een sappige boom
125 13, 11| indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende,
126 13, 11| kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt,
127 13, 13| toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig
128 13, 13| zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid
129 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk
130 13, 15| hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig
131 13, 16| kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig.~
132 13, 17| zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.~
133 13, 19| 19 En om een gelukkige reis, hetgeen
134 13, 19| handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij
135 14, 1 | doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan
136 14, 3 | gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een
137 14, 3 | een weg, en in de baren een zeker pad.~
138 14, 5 | de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende
139 14, 5 | door de baren, worden door een schip behouden.~
140 14, 6 | wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld
141 14, 6 | schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na,
142 14, 11| onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en
143 14, 11| voeten der onwijzen tot een strik.~
144 14, 15| 15 Want een vader, door ontijdige rouw
145 14, 15| uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen
146 14, 15| dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die
147 14, 16| genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest,
148 14, 17| was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt
149 14, 20| weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.~
150 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest voor het leven,
151 14, 22| dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid,
152 14, 24| echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door
153 14, 30| gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van
154 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen gerechtigheid,
155 15, 3 | en uw kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.~
156 15, 4 | der schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk
157 15, 4 | onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is
158 15, 5 | krijgt tot de gedaante van een dood beeld, hetwelk zonder
159 15, 7 | 7 Want ook een pottenbakker tredende de
160 15, 8 | kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit datzelfde
161 15, 8 | uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna in dezelve
162 15, 9 | zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft,
163 15, 9 | koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse
164 15, 11| die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft,
165 15, 11| welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die
166 15, 12| Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens
167 15, 12| spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin
168 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt,
169 15, 16| bereid; want geen mens kan een god maken die Hem gelijk
170 15, 17| sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige
171 16, 1 | billijk geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd
172 16, 2 | 2 In plaats van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk
173 16, 2 | weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs,
174 16, 2 | gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen
175 16, 3 | afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden,
176 16, 4 | die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte
177 16, 5 | 5 Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid
178 16, 6 | einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot
179 16, 6 | tot vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om
180 16, 11| zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken
181 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander
182 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid
183 16, 17| verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water,
184 16, 21| zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.~
185 16, 27| ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.~
186 16, 29| ondankbaren zal versmelten als een rijm die des winters valt,
187 17, 3 | heimelijke zonden, onder een donker deksel der vergetelheid,
188 17, 8 | deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.~
189 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard ding, veroordeeld
190 17, 12| vrees is niets anders dan een begeven der behulpzaamheden,
191 17, 15| begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte vrees
192 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of een herder, of
193 17, 17| ware dan een landman of een herder, of een die moeilijker
194 17, 17| landman of een herder, of een die moeilijker werken doet
195 17, 18| Want zij waren allen met een keten der duisternis gebonden.~
196 17, 19| Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk
197 17, 19| was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen,
198 17, 19| met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen,
199 17, 21| Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt,
200 17, 21| nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die
201 18, 1 | MAAR uw heiligen hadden een zeer groot licht, welker
202 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige kolom, die
203 18, 3 | weg der onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde
204 18, 5 | der heiligen te doden, en een kind van die in het water
205 18, 5 | verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.~
206 18, 10| 10 En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt
207 18, 10| gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de
208 18, 12| hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven
209 18, 15| koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het
210 18, 16| 16 Dragende een scherp zwaard, namelijk
211 18, 17| schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam
212 18, 18| 18 En de een herwaarts, de ander derwaarts
213 18, 20| aangeraakt en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied,
214 18, 21| tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende
215 19, 3 | graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die
216 19, 4 | einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen
217 19, 5 | 5 En opdat uw volk een zeer wonderlijke reis doen
218 19, 5 | reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.~
219 19, 7 | opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering,
220 19, 7 | zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend
221 19, 7 | en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.~
222 19, 10| rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld
223 19, 11| laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen,
224 19, 13| eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder vijandschap tegen
225 19, 17| zichzelf veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen de naam
226 19, 17| hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken der dingen
|