Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
edele 1
edelste 1
eden 4
een 226
één 3
eendracht 1
eendrachtiguw 1
Frequency    [«  »]
-----
572 de
523 en
226 een
210 zij
199 die
185 want

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

een

    Chapter, Verse
1 1, 1 | richt; hebt van de Here een goed gevoelen en zoekt hem 2 1, 4 | wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken 3 1, 4 | omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.~ 4 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende geest, doch 5 1, 6 | lippen lastert, want God is een getuige zijner nieren, en 6 1, 6 | getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker zijns 7 1, 6 | opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.~ 8 1, 16| geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten 9 1, 16| zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; 10 1, 16| waardig, dat zij het tot een deel hebben.~ 11 2, 2 | snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een 12 2, 2 | een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de 13 2, 4 | gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid 14 2, 4 | wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen 15 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, 16 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want 17 2, 13| heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.~ 18 2, 14| Hij is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.~ 19 2, 18| indien de rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij 20 2, 20| 20 Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, 21 2, 23| onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur.~ 22 3, 3 | ons schijnt hun te zijn een vernieling, maar zij zijn 23 3, 5 | 5 Zijnde een weinig getuchtigd geweest, 24 3, 6 | beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen 25 3, 6 | smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.~ 26 3, 14| want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade des geloofs, 27 3, 14| uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot in de 28 3, 16| worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen.~ 29 4, 2 | toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat 30 4, 4 | hoewel zij in de takken voor een tijd weder uitspruiten, 31 4, 8 | veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten 32 4, 9 | dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte 33 4, 12| omdrijving van de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad 34 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en 35 5, 3 | lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.~ 36 5, 9 | zijn voorbijgegaan gelijk een schaduw, en gelijk een voorbijlopende 37 5, 9 | gelijk een schaduw, en gelijk een voorbijlopende tijding.~ 38 5, 10| 10 Gelijk een schip varende door de baren 39 5, 12| 12 Of gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten 40 5, 15| van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de 41 5, 15| gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een 42 5, 15| een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; 43 5, 15| wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid 44 5, 17| Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een 45 5, 17| een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand 46 5, 18| zal zijn ijver nemen tot een gehele wapenrusting, en 47 5, 19| gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd 48 5, 19| tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten 49 5, 19| ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm.~ 50 5, 20| zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild,~ 51 5, 21| gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld zal 52 5, 22| heengaan, en gelijk als van een welgespannen boog uit de 53 5, 23| geworpen worden, als uit een slinger der gramschap; het 54 5, 24| hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en 55 6, 5 | zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan 56 6, 8 | Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen.~ 57 6, 24| behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks 58 7, 1 | 1 IK ben ook een sterfelijk mens, alle anderen 59 7, 5 | 5 Want geen koning heeft een ander begin gehad zijner 60 7, 6 | het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.~ 61 7, 9 | aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is 62 7, 10| verkoren om te hebben tot een licht; want de glans uit 63 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet afneemt; 64 7, 21| wijsheid, die van alle dingen een kunstenares is, heeft ze 65 7, 22| 22 Want in haar is een geest die verstandig is, 66 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, en 67 7, 25| damp der kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing der 68 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen 69 7, 26| des eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods 70 7, 26| Gods werkende kracht, en een beeld zijner goedheid.~ 71 8, 2 | gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een 72 8, 2 | een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid.~ 73 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der wetenschap 74 8, 4 | wetenschap Gods, en doet een keuze uit zijn werken.~ 75 8, 5 | 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting 76 8, 9 | hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn, in zorg 77 8, 11| gezicht der machtigen zal ik een verwondering zijn.~ 78 8, 13| onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis degenen 79 8, 15| vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis 80 8, 18| gemeenschap harer woorden een goede naam is, zo ben ik 81 8, 19| 19 Ik nu was een goedaardig kind, en had 82 8, 19| goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.~ 83 8, 20| goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.~ 84 9, 5 | ik ben uw dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een 85 9, 5 | een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig 86 9, 7 | Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk, en 87 9, 7 | koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en 88 9, 8 | Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg 89 9, 8 | heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, 90 10, 4 | regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout.~ 91 10, 7 | Van welker boosheid nog een getuigenis is dat rokende 92 10, 8 | maar laten ook in dit leven een gedachtenis na, van hun 93 10, 14| beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven.~ 94 10, 17| en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun 95 10, 17| en is hun geworden tot een deksel des daags, en des 96 10, 17| daags, en des nachts tot een vlam der sterren.~ 97 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en 98 11, 4 | hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing 99 11, 4 | en genezing van dorst uit een harde steen.~ 100 11, 7 | Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende 101 11, 11| Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, 102 11, 11| onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.~ 103 11, 13| 13 Want een dubbel verdriet beving hen 104 11, 13| dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis 105 11, 15| uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen.~ 106 11, 16| beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige 107 11, 18| niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante 108 11, 18| heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute 109 11, 19| grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, 110 11, 19| vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide 111 11, 19| uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke 112 11, 21| zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, 113 11, 21| geest uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle 114 11, 23| wereld is voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, 115 11, 23| uit de weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, 116 12, 9 | onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen 117 12, 9 | vreselijke dienren, of met een streng woord tot één toe 118 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad van den beginne; 119 12, 12| tegen u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige 120 12, 25| hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, 121 12, 27| hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij eertijds 122 13, 10| en beelden der dieren, of een onnutte steen, zijnde het 123 13, 10| steen, zijnde het werk van een oude hand.~ 124 13, 11| 11 En indien ook een timmerman een sappige boom 125 13, 11| indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, 126 13, 11| kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, 127 13, 13| toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig 128 13, 13| zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid 129 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk 130 13, 15| hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als het waardig 131 13, 16| kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig.~ 132 13, 17| zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is.~ 133 13, 19| 19 En om een gelukkige reis, hetgeen 134 13, 19| handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij 135 14, 1 | doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan 136 14, 3 | gij geeft ook in de zee een weg, en in de baren een 137 14, 3 | een weg, en in de baren een zeker pad.~ 138 14, 5 | de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende 139 14, 5 | door de baren, worden door een schip behouden.~ 140 14, 6 | wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld 141 14, 6 | schip, en liet de wereld een zaad der voortteling na, 142 14, 11| onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en 143 14, 11| voeten der onwijzen tot een strik.~ 144 14, 15| 15 Want een vader, door ontijdige rouw 145 14, 15| uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen 146 14, 15| dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die 147 14, 16| genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, 148 14, 17| was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt 149 14, 20| weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.~ 150 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest voor het leven, 151 14, 22| dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid, 152 14, 24| echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander om door 153 14, 30| gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van 154 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen gerechtigheid, 155 15, 3 | en uw kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.~ 156 15, 4 | der schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk 157 15, 4 | onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is 158 15, 5 | krijgt tot de gedaante van een dood beeld, hetwelk zonder 159 15, 7 | 7 Want ook een pottenbakker tredende de 160 15, 8 | kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit datzelfde 161 15, 8 | uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna in dezelve 162 15, 9 | zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, 163 15, 9 | koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse 164 15, 11| die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, 165 15, 11| welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die 166 15, 12| Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens 167 15, 12| spelen, en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin 168 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt, 169 15, 16| bereid; want geen mens kan een god maken die Hem gelijk 170 15, 17| sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige 171 16, 1 | billijk geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd 172 16, 2 | 2 In plaats van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk 173 16, 2 | weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs, 174 16, 2 | gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen 175 16, 3 | afkeren, maar dezen, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, 176 16, 4 | die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte 177 16, 5 | 5 Want ook wanneer een schrikkelijke grimmigheid 178 16, 6 | einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot 179 16, 6 | tot vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om 180 16, 11| zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken 181 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander 182 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid 183 16, 17| verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, 184 16, 21| zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.~ 185 16, 27| ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der zon.~ 186 16, 29| ondankbaren zal versmelten als een rijm die des winters valt, 187 17, 3 | heimelijke zonden, onder een donker deksel der vergetelheid, 188 17, 8 | deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.~ 189 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard ding, veroordeeld 190 17, 12| vrees is niets anders dan een begeven der behulpzaamheden, 191 17, 15| begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte vrees 192 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of een herder, of 193 17, 17| ware dan een landman of een herder, of een die moeilijker 194 17, 17| landman of een herder, of een die moeilijker werken doet 195 17, 18| Want zij waren allen met een keten der duisternis gebonden.~ 196 17, 19| Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk 197 17, 19| was een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, 198 17, 19| met geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, 199 17, 21| Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, 200 17, 21| nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die 201 18, 1 | MAAR uw heiligen hadden een zeer groot licht, welker 202 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige kolom, die 203 18, 3 | weg der onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde 204 18, 5 | der heiligen te doden, en een kind van die in het water 205 18, 5 | verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.~ 206 18, 10| 10 En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt 207 18, 10| gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de 208 18, 12| hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven 209 18, 15| koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het 210 18, 16| 16 Dragende een scherp zwaard, namelijk 211 18, 17| schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam 212 18, 18| 18 En de een herwaarts, de ander derwaarts 213 18, 20| aangeraakt en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied, 214 18, 21| tegen de gramschap en maakte een einde aan de jammer, betonende 215 19, 3 | graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die 216 19, 4 | einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen 217 19, 5 | 5 En opdat uw volk een zeer wonderlijke reis doen 218 19, 5 | reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.~ 219 19, 7 | opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, 220 19, 7 | zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend 221 19, 7 | en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.~ 222 19, 10| rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld 223 19, 11| laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, 224 19, 13| eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder vijandschap tegen 225 19, 17| zichzelf veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen de naam 226 19, 17| hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken der dingen


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License