Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 7
ziende 2
ziet 1
zij 210
zijn 156
zijnde 44
zijnentwil 1
Frequency    [«  »]
572 de
523 en
226 een
210 zij
199 die
185 want
175 het

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 16| houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een 2 1, 16| daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij het 3 1, 16| want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~ 4 2, 1 | overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven 5 2, 8 | kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.~ 6 2, 9 | 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan 7 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, 8 2, 21| 21 Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, 9 2, 22| 22 Zij verstaan de verborgenheden 10 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der 11 3, 3 | zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede.~ 12 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der mensen 13 3, 5 | getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten, 14 3, 7 | van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer 15 3, 8 | 8 Zij zullen de heidenen oordelen, 16 3, 10| zullen gestraft worden gelijk zij gedacht hebben; die de rechtvaardige 17 3, 13| heeft gekend in overtreding, zij zal de vrucht genieten in 18 3, 17| 17 Want indien zij al lang zouden leven, zo 19 3, 17| zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht worden, 20 3, 18| 18 Indien zij haast komen te sterven, 21 3, 18| komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost 22 4, 1 | gedachtenis derzelve, dewijl zij beide bij God en bij de 23 4, 2 | 2 Als zij tegenwoordig is, zo volgt 24 4, 2 | volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar 25 4, 2 | de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, 26 4, 2 | kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die 27 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd 28 4, 4 | uitspruiten, nochtans dewijl zij zeer loffelijk voortkomen, 29 4, 4 | loffelijk voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en 30 4, 17| wijze, en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben, 31 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets 32 4, 19| uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste 33 4, 20| 20 Zij zullen in overlegging hunner 34 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met zware 35 5, 3 | berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en 36 5, 17| 17 Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk 37 6, 13| 13 Zij voorkomt degenen die haar 38 6, 16| 16 Want zij gaat rondom heen, zoekende 39 6, 16| en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet 40 6, 22| Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, 41 7, 12| voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster 42 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die 43 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, 44 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen 45 7, 27| 27 En enig zijnde kan zij alles doen, en blijvende 46 7, 27| blijvende in zichzelf, vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht 47 7, 27| zielen overgaande, maakt zij vrienden Gods en profeten.~ 48 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, en 49 7, 29| vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden.~ 50 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde 51 8, 3 | 3 Zij maakt haar adellijke afkomst 52 8, 3 | afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en de 53 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der 54 8, 6 | zijn groter kunstenaar dan zij?~ 55 8, 7 | arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, 56 8, 8 | ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, 57 8, 8 | toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing 58 8, 8 | toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der 59 8, 8 | tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten 60 8, 9 | mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed 61 8, 12| Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik 62 8, 12| als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder 63 8, 12| ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.~ 64 9, 10| uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde 65 9, 11| 11 Want zij weet alle dingen, en verstaat 66 9, 19| En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.~ 67 10, 8 | wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, 68 10, 8 | alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar 69 10, 8 | hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen 70 10, 8 | zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.~ 71 10, 11| hem geweld aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk.~ 72 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, 73 10, 12| die sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning 74 10, 13| hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.~ 75 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar 76 10, 14| maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks 77 10, 14| hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem 78 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van 79 10, 17| 17 Zij heeft de heiligen gegeven 80 10, 18| 18 Zij heeft hen doen gaan door 81 10, 19| 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft 82 10, 19| verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond 83 10, 21| tongen der sprakelozen maakte zij welsprekend.~ 84 11, 1 | 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig 85 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde 86 11, 2 | onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op.~ 87 11, 3 | 3 Zij stelden zich tegen degenen 88 11, 4 | 4 Zij hadden dorst en riepen u 89 11, 6 | werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden;~ 90 11, 7 | altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn 91 11, 9 | Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders 92 11, 10| 10 Want toen zij zijn verzocht geworden, 93 11, 10| verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd, 94 11, 10| werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe de goddelozen, 95 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze door hun 96 11, 14| weldaden genoten, zo voelden zij de Here.~ 97 11, 15| 15 Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen 98 11, 15| hadden, over die hebben zij zich op het einde van de 99 11, 16| ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige 100 11, 17| 17 Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor 101 11, 21| 21 Ja, zij hadden ook zonder deze dingen 102 11, 24| zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~ 103 11, 27| verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij 104 12, 2 | indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van 105 12, 2 | waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken 106 12, 4 | 4 Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, 107 12, 11| zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~ 108 12, 20| tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten 109 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen 110 12, 24| dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun 111 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke 112 12, 26| oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.~ 113 12, 27| 27 Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als 114 12, 27| zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over 115 12, 27| namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, 116 12, 27| goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, 117 12, 27| gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware 118 12, 27| hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd 119 13, 3 | 3 Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak 120 13, 3 | voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter 121 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest 122 13, 4 | hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel 123 13, 6 | want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die 124 13, 6 | verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;~ 125 13, 7 | werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het 126 13, 9 | 9 Want hebben zij zoveel vermocht te weten, 127 13, 9 | zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de 128 13, 9 | kennis der wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Here dezer 129 14, 11| heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen Gods 130 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne niet, 131 14, 17| zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij 132 14, 17| zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre 133 14, 17| gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt 134 14, 17| koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien 135 14, 22| der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede 136 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin 137 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin zij 138 14, 23| zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen 139 14, 24| 24 Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch 140 14, 28| Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren 141 14, 28| zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij 142 14, 28| zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of 143 14, 28| leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.~ 144 14, 29| leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, 145 14, 29| verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd 146 14, 30| 30 Doch zij zullen om deze beide dingen 147 14, 30| rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben 148 14, 30| aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog 149 15, 12| 12 Maar zij achten ons leven een spelen, 150 15, 12| doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs 151 15, 15| 15 Omdat zij al de beelden der heidenen 152 15, 17| dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.~ 153 15, 19| der andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn 154 16, 1 | 1 DAAROM zijn zij door dergelijke billijk 155 16, 5 | dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke 156 16, 6 | tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd 157 16, 9 | hun ziel gevonden, omdat zij waardig waren van zulke 158 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen 159 16, 11| snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een 160 16, 18| matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de 161 16, 18| uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij 162 16, 18| zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven 163 16, 19| kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land des 164 16, 21| desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een 165 16, 22| en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het 166 16, 25| veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar 167 16, 28| 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen 168 17, 2 | Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige 169 17, 3 | vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk 170 17, 4 | binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet 171 17, 6 | niet gezien werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.~ 172 17, 6 | werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.~ 173 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de zieke 174 17, 9 | bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde 175 17, 13| van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der 176 17, 14| 14 Zij nu, die nacht, welke voorwaar 177 17, 15| gedreven en anderdeels bezweken zij door begeven hunner ziel: 178 17, 18| 18 Want zij waren allen met een keten 179 17, 21| beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch zij 180 17, 21| zij zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder 181 18, 1 | groot licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, 182 18, 2 | achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten 183 18, 2 | leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, 184 18, 2 | smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.~ 185 18, 4 | 4 Want zij waren ook waardig, dat zij 186 18, 4 | zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en 187 18, 5 | 5 En als zij beraadslaagd hadden de kleine 188 18, 6 | vaderen bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het 189 18, 6 | wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover 190 18, 12| 12 En zij hadden gezamenlijk allen, 191 18, 13| vanwege de toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen 192 18, 19| tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder 193 18, 19| zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.~ 194 19, 2 | hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken 195 19, 3 | graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen: 196 19, 3 | ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, 197 19, 3 | uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.~ 198 19, 4 | de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen 199 19, 4 | wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag 200 19, 5 | wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.~ 201 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid 202 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig de dingen 203 19, 11| 11 En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte 204 19, 11| geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde 205 19, 13| geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor 206 19, 13| eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder vijandschap 207 19, 14| over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.~ 208 19, 15| 15 En zij plaagden met zware arbeid 209 19, 15| zware arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen 210 19, 16| 16 Maar zij werden ook met blindheid


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License