Chapter, Verse
1 1, 16| houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een
2 1, 16| daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij het
3 1, 16| want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~
4 2, 1 | overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven
5 2, 8 | kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.~
6 2, 9 | 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan
7 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet der gerechtigheid,
8 2, 21| 21 Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald,
9 2, 22| 22 Zij verstaan de verborgenheden
10 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der
11 3, 3 | zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede.~
12 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der mensen
13 3, 5 | getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten,
14 3, 7 | van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer
15 3, 8 | 8 Zij zullen de heidenen oordelen,
16 3, 10| zullen gestraft worden gelijk zij gedacht hebben; die de rechtvaardige
17 3, 13| heeft gekend in overtreding, zij zal de vrucht genieten in
18 3, 17| 17 Want indien zij al lang zouden leven, zo
19 3, 17| zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht worden,
20 3, 18| 18 Indien zij haast komen te sterven,
21 3, 18| komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost
22 4, 1 | gedachtenis derzelve, dewijl zij beide bij God en bij de
23 4, 2 | 2 Als zij tegenwoordig is, zo volgt
24 4, 2 | volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar
25 4, 2 | de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert,
26 4, 2 | kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die
27 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd
28 4, 4 | uitspruiten, nochtans dewijl zij zeer loffelijk voortkomen,
29 4, 4 | loffelijk voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en
30 4, 17| wijze, en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben,
31 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets
32 4, 19| uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste
33 4, 20| 20 Zij zullen in overlegging hunner
34 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met zware
35 5, 3 | berouw hebbende, zullen zij onder elkander zeggen, en
36 5, 17| 17 Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk
37 6, 13| 13 Zij voorkomt degenen die haar
38 6, 16| 16 Want zij gaat rondom heen, zoekende
39 6, 16| en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet
40 6, 22| Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen,
41 7, 12| voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster
42 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die
43 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods,
44 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen
45 7, 27| 27 En enig zijnde kan zij alles doen, en blijvende
46 7, 27| blijvende in zichzelf, vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht
47 7, 27| zielen overgaande, maakt zij vrienden Gods en profeten.~
48 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, en
49 7, 29| vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden.~
50 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde
51 8, 3 | 3 Zij maakt haar adellijke afkomst
52 8, 3 | afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en de
53 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der
54 8, 6 | zijn groter kunstenaar dan zij?~
55 8, 7 | arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid,
56 8, 8 | ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen,
57 8, 8 | toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing
58 8, 8 | toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der
59 8, 8 | tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten
60 8, 9 | mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed
61 8, 12| Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik
62 8, 12| als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder
63 8, 12| ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.~
64 9, 10| uwer heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde
65 9, 11| 11 Want zij weet alle dingen, en verstaat
66 9, 19| En door de wijsheid zijn zij behouden geworden.~
67 10, 8 | wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade,
68 10, 8 | alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar
69 10, 8 | hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen
70 10, 8 | zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.~
71 10, 11| hem geweld aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk.~
72 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden,
73 10, 12| die sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning
74 10, 13| hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.~
75 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar
76 10, 14| maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks
77 10, 14| hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem
78 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van
79 10, 17| 17 Zij heeft de heiligen gegeven
80 10, 18| 18 Zij heeft hen doen gaan door
81 10, 19| 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft
82 10, 19| verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond
83 10, 21| tongen der sprakelozen maakte zij welsprekend.~
84 11, 1 | 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig
85 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde
86 11, 2 | onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op.~
87 11, 3 | 3 Zij stelden zich tegen degenen
88 11, 4 | 4 Zij hadden dorst en riepen u
89 11, 6 | werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden;~
90 11, 7 | altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn
91 11, 9 | Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders
92 11, 10| 10 Want toen zij zijn verzocht geworden,
93 11, 10| verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd,
94 11, 10| werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe de goddelozen,
95 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze door hun
96 11, 14| weldaden genoten, zo voelden zij de Here.~
97 11, 15| 15 Want die zij, eertijds uitgezet en heengeworpen
98 11, 15| hadden, over die hebben zij zich op het einde van de
99 11, 16| ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige
100 11, 17| 17 Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor
101 11, 21| 21 Ja, zij hadden ook zonder deze dingen
102 11, 24| zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~
103 11, 27| verschoont alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij
104 12, 2 | indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van
105 12, 2 | waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken
106 12, 4 | 4 Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven,
107 12, 11| zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~
108 12, 20| tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten
109 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen
110 12, 24| dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun
111 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke
112 12, 26| oordeel Gods beproeven, als zij waardig zijn.~
113 12, 27| 27 Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als
114 12, 27| zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over
115 12, 27| namelijk over deze die zij meenden dat goden waren,
116 12, 27| goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden,
117 12, 27| gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware
118 12, 27| hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd
119 13, 3 | 3 Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak
120 13, 3 | voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter
121 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest
122 13, 4 | hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel
123 13, 6 | want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die
124 13, 6 | verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;~
125 13, 7 | werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het
126 13, 9 | 9 Want hebben zij zoveel vermocht te weten,
127 13, 9 | zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de
128 13, 9 | kennis der wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Here dezer
129 14, 11| heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen Gods
130 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne niet,
131 14, 17| zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij
132 14, 17| zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre
133 14, 17| gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt
134 14, 17| koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien
135 14, 22| der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede
136 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin
137 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin zij
138 14, 23| zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen
139 14, 24| 24 Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch
140 14, 28| Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren
141 14, 28| zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij
142 14, 28| zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of
143 14, 28| leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.~
144 14, 29| leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende,
145 14, 29| verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd
146 14, 30| 30 Doch zij zullen om deze beide dingen
147 14, 30| rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben
148 14, 30| aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog
149 15, 12| 12 Maar zij achten ons leven een spelen,
150 15, 12| doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs
151 15, 15| 15 Omdat zij al de beelden der heidenen
152 15, 17| dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.~
153 15, 19| der andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en zijn
154 16, 1 | 1 DAAROM zijn zij door dergelijke billijk
155 16, 5 | dieren over hen kwam, en zij door de beten der schadelijke
156 16, 6 | tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd
157 16, 9 | hun ziel gevonden, omdat zij waardig waren van zulke
158 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen
159 16, 11| snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een
160 16, 18| matigde zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de
161 16, 18| uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij
162 16, 18| zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven
163 16, 19| kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land des
164 16, 21| desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een
165 16, 22| en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het
166 16, 25| veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar
167 16, 28| 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen
168 17, 2 | Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige
169 17, 3 | vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk
170 17, 4 | binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet
171 17, 6 | niet gezien werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.~
172 17, 6 | werd, hielden zij hetgeen zij zagen voor erger.~
173 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de zieke
174 17, 9 | bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde
175 17, 13| van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid der
176 17, 14| 14 Zij nu, die nacht, welke voorwaar
177 17, 15| gedreven en anderdeels bezweken zij door begeven hunner ziel:
178 17, 18| 18 Want zij waren allen met een keten
179 17, 21| beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch zij
180 17, 21| zij zouden ontvangen; doch zij waren zichzelf zwaarder
181 18, 1 | groot licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden,
182 18, 2 | achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten
183 18, 2 | leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde,
184 18, 2 | smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.~
185 18, 4 | 4 Want zij waren ook waardig, dat zij
186 18, 4 | zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en
187 18, 5 | 5 En als zij beraadslaagd hadden de kleine
188 18, 6 | vaderen bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het
189 18, 6 | wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover
190 18, 12| 12 En zij hadden gezamenlijk allen,
191 18, 13| vanwege de toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen
192 18, 19| tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder
193 18, 19| zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden.~
194 19, 2 | hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken
195 19, 3 | graven der doden, namen zij een ander dwaas voornemen:
196 19, 3 | ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten,
197 19, 3 | uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.~
198 19, 4 | de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok hen
199 19, 4 | wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag
200 19, 5 | wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.~
201 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid
202 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig de dingen
203 19, 11| 11 En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte
204 19, 11| geboorte van vogelen, toen zij door lust gedreven zijnde
205 19, 13| geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor
206 19, 13| eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder vijandschap
207 19, 14| over hen opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.~
208 19, 15| 15 En zij plaagden met zware arbeid
209 19, 15| zware arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen
210 19, 16| 16 Maar zij werden ook met blindheid
|