Chapter, Verse
1 1, 1 | gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt van
2 1, 2 | wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt
3 1, 2 | verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.~
4 1, 2 | verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.~
5 1, 4 | niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat,
6 1, 6 | onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert,
7 1, 8 | voor hem kunnen schuilen die spreekt wat onrecht is,
8 1, 11| ledig heengaan, en de mond die liegt, brengt de ziel om.~
9 2, 1 | en niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd
10 2, 4 | verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd
11 2, 5 | onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, en daar is
12 2, 5 | wederkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand
13 2, 18| verlossen uit de hand dergenen die hem tegenstaan.~
14 2, 24| in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die
15 2, 24| die van zijn deel zijn, die proeven deze.~
16 3, 9 | 9 Die op hem betrouwen zullen
17 3, 10| gelijk zij gedacht hebben; die de rechtvaardige niet hebben
18 3, 11| 11 Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht,
19 3, 13| is de onvruchtbare zalig, die onbevlekt is, welke het
20 3, 14| En de gesnedene is zalig die geen onrecht met zijn hand
21 4, 2 | zij de strijd der prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen
22 4, 8 | ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch
23 4, 8 | van veel tijds is, noch die met een getal van jaren
24 4, 10| 10 Die God behaagd heeft, is door
25 4, 16| 16 De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt
26 4, 16| veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk
27 4, 16| goddelozen die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd is,
28 5, 1 | het aangezicht dergenen, die hem verdrukt en zijn moeiten
29 5, 3 | wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke
30 5, 9 | 9 Al die dingen zijn voorbijgegaan
31 5, 11| van de reis des vogels, die door de lucht vliegt, maar
32 5, 11| de lichte geslagen wind, die door de kracht des suizens
33 5, 12| geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld was, terstond
34 5, 15| en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd
35 5, 15| wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt,
36 5, 15| voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest
37 6, 2 | tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, en
38 6, 3 | macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen,
39 6, 5 | oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.~
40 6, 10| 10 Want die heilig heilige dingen zullen
41 6, 10| zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, zullen
42 6, 12| licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden
43 6, 12| liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.~
44 6, 13| 13 Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren
45 6, 14| 14 Die vroeg des morgens tot haar
46 6, 15| volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil waakt, zal
47 6, 16| rondom heen, zoekende degenen die harer waardig zijn, en op
48 7, 1 | de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong
49 7, 2 | zaad eens mans, en wellust die daarbij komt met de slaap.~
50 7, 3 | zijnde, de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen
51 7, 3 | ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met
52 7, 14| Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken
53 7, 14| schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen
54 7, 14| aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.~
55 7, 15| hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven zijn, want hij
56 7, 17| gegeven ware kennis der dingen die zijn, om te weten de gestalte
57 7, 21| dingen, want de wijsheid, die van alle dingen een kunstenares
58 7, 22| Want in haar is een geest die verstandig is, heilig, enig,
59 7, 22| beminnende het goed, scherp, die niet kan verhinderd worden,
60 7, 23| vast, zeker, onbekommerd, die alles vermag, die op alles
61 7, 23| onbekommerd, die alles vermag, die op alles ziet, en die door
62 7, 23| vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige, reine,
63 7, 28| bemint niets, dan degene, die bij de wijsheid woont.~
64 8, 5 | is rijker dan de wijsheid die alles werkt?~
65 8, 6 | wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar dan
66 8, 13| gedachtenis degenen achterlaten, die na mij komen zullen.~
67 8, 18| arbeid harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in
68 8, 21| kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik
69 9, 1 | Here der barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt
70 9, 2 | heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,~
71 9, 4 | 4 Geef mij de wijsheid, die bij uw tronen zit, en verwerp
72 9, 6 | worden, wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem
73 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig
74 9, 16| nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite
75 9, 18| gemaakt de paden dergenen, die op aarde zijn, en de mensen
76 10, 7 | woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten dragen,
77 10, 9 | uit moeite verlost degenen die haar dienen.~
78 10, 11| In de gierigheid dergenen die hem geweld aandeden, stond
79 10, 12| hem zeker tegen degenen, die hem lagen legden, en in
80 10, 12| hem lagen legden, en in die sterke strijd heeft zij
81 10, 13| verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft
82 10, 14| bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden;
83 10, 14| dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en
84 10, 15| verlost, uit de natie dergenen die haar verdrukten.~
85 11, 3 | stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden
86 11, 9 | Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe gij
87 11, 12| 12 En beiden, die afwezig en die tegenwoordig
88 11, 12| En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, werden
89 11, 13| de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan waren.~
90 11, 15| 15 Want die zij, eertijds uitgezet en
91 11, 15| spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde
92 11, 18| uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof,
93 11, 18| de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen
94 11, 19| nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven,
95 12, 2 | bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen,
96 12, 5 | moordenaars hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees
97 12, 6 | goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de
98 12, 12| beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, welke gij
99 12, 13| daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt,
100 12, 14| kunnen gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.~
101 12, 15| te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft
102 12, 17| de stoutheid in degenen die ze kennen.~
103 12, 20| vijanden uwer kinderen, en die des doods schuldig waren,
104 12, 23| ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens
105 12, 24| dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd
106 12, 25| gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn.~
107 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing
108 12, 27| leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren,
109 12, 27| dat hij een ware God was, die zij eertijds hadden geweigerd
110 13, 1 | vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de
111 13, 2 | des hemels, goden waren, die de wereld regeerden.~
112 13, 4 | hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.~
113 13, 6 | zij verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;~
114 13, 7 | bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn.~
115 13, 10| onder de doden te rekenen, die de werken der mensenhanden
116 13, 14| overstrijkende alle vlekken die daarin waren.~
117 13, 19| uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken
118 14, 1 | 1 WEDEROM iemand die zich toerust om scheep te
119 14, 1 | wilde baren te doorreizen, die roept aan een hout, dat
120 14, 8 | vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze,
121 14, 10| gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft
122 14, 15| ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald,
123 14, 15| maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij
124 14, 15| een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren,
125 14, 17| beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met
126 14, 20| werk aangelokt zijnde hield die voor God, welke weinig tijd
127 14, 21| hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt
128 14, 27| Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te
129 14, 29| betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten
130 14, 31| maar de wraak dergenen die zondigen, komt altijd over
131 15, 4 | arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene
132 15, 6 | zodanige hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen begeren,
133 15, 6 | zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen
134 15, 6 | als die hen begeren, en die hen eren.~
135 15, 7 | hetzelfde leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig
136 15, 7 | zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen;
137 15, 7 | dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden,
138 15, 11| 11 Omdat hij die niet kent die hem gemaakt
139 15, 11| Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een
140 15, 11| een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.~
141 15, 13| van aardse stoffen vaten die licht breken, en gesneden
142 15, 14| Maar de vijanden uws volks, die het onderdrukken, zijn allen
143 15, 15| heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken
144 15, 16| mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen
145 15, 16| in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen
146 15, 16| geen mens kan een god maken die Hem gelijk is.~
147 15, 18| 18 En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn;
148 16, 3 | 3 Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege
149 16, 3 | vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren,
150 16, 4 | het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke
151 16, 8 | verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.~
152 16, 9 | 9 Want die werden wel van de beten
153 16, 11| vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald
154 16, 14| zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet
155 16, 14| noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.~
156 16, 18| zoude verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden
157 16, 21| dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij getemperd
158 16, 24| het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt
159 16, 24| weldadigheid voor degenen die u betrouwen.~
160 16, 26| woord onderhoudt degenen die u geloven.~
161 16, 29| versmelten als een rijm die des winters valt, en zal
162 17, 1 | daarom zijn de zielen, die niet onderwezen zijn, verleid
163 17, 5 | vlammen der sterren konden die droevige nacht niet helder
164 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de zieke mens
165 17, 8 | zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was.~
166 17, 10| de lucht te aanschouwen, die toch nergens kan ontvloden
167 17, 12| begeven der behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~
168 17, 13| onwetendheid der oorzaak, welke die pijn meebrengt.~
169 17, 14| 14 Zij nu, die nacht, welke voorwaar onverdragelijk
170 17, 17| landman of een herder, of een die moeilijker werken doet in
171 17, 19| hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen
172 17, 19| dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen
173 17, 20| en was bezig met werken die niet verhinderd werden.~
174 17, 21| een beeld der duisternis die zij zouden ontvangen; doch
175 18, 2 | 2 En achtten die gelukkig, dat zij ook niet
176 18, 3 | een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg der
177 18, 3 | onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in
178 18, 4 | gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk
179 18, 5 | te doden, en een kind van die in het water uitgezet en
180 18, 6 | wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover
181 18, 10| erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde
182 18, 12| zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits dat
183 18, 19| 19 Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun
184 18, 20| der menigte geschied, maar die toorn duurde niet lang.~
185 19, 3 | een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden
186 19, 4 | Want de noodzakelijkheid, die zij waardig waren, trok
187 19, 4 | vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat
188 19, 4 | vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.~
189 19, 8 | Waardoor al het volk overging, die met uw hand beschermd werden,
190 19, 9 | lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.~
191 19, 10| nog gedachtig de dingen die geschied waren in het land
192 19, 13| vreemdelingen geoefend hadden als die van Sodom; want dezen namen
193 19, 13| dezen namen de onbekenden die daar kwamen niet aan, maar
194 19, 13| dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun weldaden bewezen hadden.~
195 19, 15| feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds medegenoten waren
196 19, 16| geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur des rechtvaardigen
197 19, 17| naarstig opmerken der dingen die geschied zijn.~
198 19, 18| veranderen in water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen
199 19, 20| het midden derzelve, en die als ijs licht smeltende
|