Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Want hij wordt gevonden door
2 1, 3 | 3 Want verkeerde gedachten scheiden
3 1, 4 | 4 Want wijsheid zal niet komen
4 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing
5 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende
6 1, 6 | met zijn lippen lastert, want God is een getuige zijner
7 1, 7 | 7 Want de Geest des Heren vervult
8 1, 9 | 9 Want over de raadslagen der goddelozen
9 1, 11| tong van achterklappen, want de verborgen rede zal niet
10 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt,
11 1, 14| 14 Want hij heeft alle dingen geschapen
12 1, 16| verbond daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij
13 2, 1 | 1 WANT deze dingen met recht overlegd
14 2, 2 | 2 Want bij geval zijn wij geboren
15 2, 2 | wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten
16 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw
17 2, 5 | wederkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand
18 2, 9 | merktekenen der weelde laten, want dit is ons deel, en dit
19 2, 11| een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut
20 2, 12| de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt
21 2, 15| ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen
22 2, 18| 18 Want indien de rechtvaardige
23 2, 20| schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht
24 2, 21| overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.~
25 2, 23| 23 Want God heeft de mens geschapen
26 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht
27 3, 9 | liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid
28 3, 11| 11 Want hij is ellendig die de wijsheid
29 3, 14| de Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een
30 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid
31 3, 17| 17 Want indien zij al lang zouden
32 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige
33 4, 1 | zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de
34 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken
35 4, 6 | 6 Want kinderen uit onwettige bijslaap
36 4, 8 | 8 Want ouderdom is eerbaar, niet
37 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid
38 4, 14| 14 Want zijn ziel was de Here aangenaam,
39 4, 17| 17 Want wij zullen zien het einde
40 4, 19| de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en
41 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze
42 5, 17| kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal
43 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door
44 6, 5 | haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan
45 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven
46 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de
47 6, 7 | de grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten
48 6, 10| 10 Want die heilig heilige dingen
49 6, 14| zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten
50 6, 15| 15 Want aan haar te gedenken is
51 6, 16| 16 Want zij gaat rondom heen, zoekende
52 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware
53 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid
54 6, 23| de uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid
55 7, 5 | 5 Want geen koning heeft een ander
56 7, 9 | geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien
57 7, 10| te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt
58 7, 12| verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin
59 7, 15| dingen, die mij gegeven zijn, want hij leidt op de weg der
60 7, 16| 16 Want in zijn hand zijn beide
61 7, 17| 17 Want hij heeft mij gegeven ware
62 7, 21| verborgen en openbare dingen, want de wijsheid, die van alle
63 7, 22| 22 Want in haar is een geest die
64 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker
65 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht
66 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des
67 7, 28| 28 Want God bemint niets, dan degene,
68 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon,
69 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht,
70 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres
71 8, 7 | haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en
72 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt
73 9, 5 | 5 Want ik ben uw dienstknecht en
74 9, 6 | 6 Want of iemand onder de kinderen
75 9, 11| 11 Want zij weet alle dingen, en
76 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de
77 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke
78 9, 15| 15 Want het verderfelijk lichaam
79 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande,
80 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond
81 11, 5 | 5 Want waardoor hun vijanden waren
82 11, 10| 10 Want toen zij zijn verzocht geworden,
83 11, 11| 11 Want dezen hebt gij wel als een
84 11, 13| 13 Want een dubbel verdriet beving
85 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze
86 11, 15| 15 Want die zij, eertijds uitgezet
87 11, 18| 18 Want het ontbrak uw almachtige
88 11, 22| 22 Want groot vermogen is altijd
89 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor
90 11, 25| 25 Want gij hebt alles lief wat
91 11, 25| iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt,
92 12, 1 | 1 WANT uw onverderfelijke Geest
93 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners
94 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad
95 12, 12| 12 Want wie zal zeggen: Wat hebt
96 12, 13| 13 Want daar is geen God dan gij
97 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel
98 12, 17| 17 Want gij betoont sterkte, als
99 12, 18| ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer
100 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer
101 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in
102 12, 27| 27 Want over welke dingen zij zeer
103 13, 3 | beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner
104 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid
105 13, 6 | in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij
106 13, 7 | 7 Want met zijn werken omgaande,
107 13, 9 | 9 Want hebben zij zoveel vermocht
108 13, 16| hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft
109 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft
110 14, 3 | o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee
111 14, 6 | 6 Want ook in het begin als de
112 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door
113 14, 9 | 9 Want bij God zijn even hatelijk
114 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden
115 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne
116 14, 14| 14 Want ijdele eer der mensen is
117 14, 15| 15 Want een vader, door ontijdige
118 14, 19| 19 Want deze misschien willende
119 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden
120 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die
121 14, 28| 28 Want verheugd zijnde, of zij
122 14, 29| 29 Want betrouwen hebbende op de
123 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij
124 15, 2 | 2 Want ook zo wij zondigen; wij
125 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen
126 15, 4 | 4 Want ons heeft niet verleid de
127 15, 7 | 7 Want ook een pottenbakker tredende
128 15, 12| jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer
129 15, 13| 13 Want deze weet boven alle anderen
130 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt,
131 15, 16| heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken
132 15, 17| onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen
133 15, 18| de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere
134 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen,
135 16, 5 | 5 Want ook wanneer een schrikkelijke
136 16, 7 | 7 Want wie zich daartoe keerde,
137 16, 9 | 9 Want die werden wel van de beten
138 16, 10| draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen
139 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen
140 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister
141 16, 13| 13 Want gij hebt macht over leven
142 16, 16| 16 Want de goddelozen weigerende
143 16, 17| 17 Want (hetwelk op het hoogste
144 16, 17| hetwelk toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de
145 16, 18| 18 Want somtijds matigde zich de
146 16, 21| 21 Want deze uw onderstutting maakt
147 16, 24| 24 Want het schepsel dienende U,
148 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet
149 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren
150 17, 1 | 1 WANT uw oordelen zijn groot en
151 17, 2 | 2 Want de ongerechtigen, als zij
152 17, 3 | 3 Want menende te schuilen in hun
153 17, 4 | 4 Want ook de binnenste plaats
154 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de
155 17, 9 | 9 Want ook al had hen niets schrikkelijks
156 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard
157 17, 12| 12 Want de vrees is niets anders
158 17, 15| door begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte
159 17, 17| 17 Want het ware dan een landman
160 17, 18| 18 Want zij waren allen met een
161 17, 20| 20 Want de gehele wereld lichtte
162 18, 4 | 4 Want zij waren ook waardig, dat
163 18, 8 | 8 Want gelijk gij de tegenpartijen
164 18, 9 | 9 Want de heilige kinderen der
165 18, 12| doods, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs
166 18, 13| 13 Want geen van al deze dingen
167 18, 14| 14 Want als nu alle dingen in rust
168 18, 19| 19 Want de dromen die hen ontroerden,
169 18, 21| 21 Want de onstrafbare man kwam
170 18, 23| 23 Want als nu reeds de doden met
171 18, 24| 24 Want op de lange rok was het
172 18, 25| verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns
173 19, 2 | 2 Want God wist van tevoren ook
174 19, 3 | 3 Want hebbende nog de rouw in
175 19, 4 | 4 Want de noodzakelijkheid, die
176 19, 6 | 6 Want het gehele schepsel werd
177 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid
178 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig
179 19, 12| 12 Want tot hun troost kwamen kwakkelen
180 19, 13| zekere geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor
181 19, 13| hadden als die van Sodom; want dezen namen de onbekenden
182 19, 16| des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven
183 19, 17| 17 Want de elementen worden gevoegelijk
184 19, 18| 18 Want de land-dieren veranderen
185 19, 21| 21 Want, Here, in allen hebt gij
|