Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
wandelende 1
wandeling 1
wanneer 7
want 185
wantrouwen 1
wapenen 3
wapenrusting 1
Frequency    [«  »]
226 een
210 zij
199 die
185 want
175 het
168 is
167 van

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

want

    Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Want hij wordt gevonden door 2 1, 3 | 3 Want verkeerde gedachten scheiden 3 1, 4 | 4 Want wijsheid zal niet komen 4 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing 5 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende 6 1, 6 | met zijn lippen lastert, want God is een getuige zijner 7 1, 7 | 7 Want de Geest des Heren vervult 8 1, 9 | 9 Want over de raadslagen der goddelozen 9 1, 11| tong van achterklappen, want de verborgen rede zal niet 10 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, 11 1, 14| 14 Want hij heeft alle dingen geschapen 12 1, 16| verbond daarmee opgericht; want zij zijn waardig, dat zij 13 2, 1 | 1 WANT deze dingen met recht overlegd 14 2, 2 | 2 Want bij geval zijn wij geboren 15 2, 2 | wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten 16 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw 17 2, 5 | wederkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand 18 2, 9 | merktekenen der weelde laten, want dit is ons deel, en dit 19 2, 11| een wet der gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut 20 2, 12| de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt 21 2, 15| ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen 22 2, 18| 18 Want indien de rechtvaardige 23 2, 20| schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht 24 2, 21| overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.~ 25 2, 23| 23 Want God heeft de mens geschapen 26 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht 27 3, 9 | liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid 28 3, 11| 11 Want hij is ellendig die de wijsheid 29 3, 14| de Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een 30 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid 31 3, 17| 17 Want indien zij al lang zouden 32 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige 33 4, 1 | zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de 34 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken 35 4, 6 | 6 Want kinderen uit onwettige bijslaap 36 4, 8 | 8 Want ouderdom is eerbaar, niet 37 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid 38 4, 14| 14 Want zijn ziel was de Here aangenaam, 39 4, 17| 17 Want wij zullen zien het einde 40 4, 19| de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en 41 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze 42 5, 17| kroon uit de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal 43 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door 44 6, 5 | haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan 45 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven 46 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de 47 6, 7 | de grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten 48 6, 10| 10 Want die heilig heilige dingen 49 6, 14| zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten 50 6, 15| 15 Want aan haar te gedenken is 51 6, 16| 16 Want zij gaat rondom heen, zoekende 52 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware 53 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid 54 6, 23| de uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid 55 7, 5 | 5 Want geen koning heeft een ander 56 7, 9 | geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien 57 7, 10| te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt 58 7, 12| verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin 59 7, 15| dingen, die mij gegeven zijn, want hij leidt op de weg der 60 7, 16| 16 Want in zijn hand zijn beide 61 7, 17| 17 Want hij heeft mij gegeven ware 62 7, 21| verborgen en openbare dingen, want de wijsheid, die van alle 63 7, 22| 22 Want in haar is een geest die 64 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker 65 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht 66 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des 67 7, 28| 28 Want God bemint niets, dan degene, 68 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, 69 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht, 70 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres 71 8, 7 | haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en 72 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt 73 9, 5 | 5 Want ik ben uw dienstknecht en 74 9, 6 | 6 Want of iemand onder de kinderen 75 9, 11| 11 Want zij weet alle dingen, en 76 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de 77 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke 78 9, 15| 15 Want het verderfelijk lichaam 79 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande, 80 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond 81 11, 5 | 5 Want waardoor hun vijanden waren 82 11, 10| 10 Want toen zij zijn verzocht geworden, 83 11, 11| 11 Want dezen hebt gij wel als een 84 11, 13| 13 Want een dubbel verdriet beving 85 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze 86 11, 15| 15 Want die zij, eertijds uitgezet 87 11, 18| 18 Want het ontbrak uw almachtige 88 11, 22| 22 Want groot vermogen is altijd 89 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor 90 11, 25| 25 Want gij hebt alles lief wat 91 11, 25| iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, 92 12, 1 | 1 WANT uw onverderfelijke Geest 93 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners 94 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad 95 12, 12| 12 Want wie zal zeggen: Wat hebt 96 12, 13| 13 Want daar is geen God dan gij 97 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel 98 12, 17| 17 Want gij betoont sterkte, als 99 12, 18| ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen wanneer 100 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer 101 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in 102 12, 27| 27 Want over welke dingen zij zeer 103 13, 3 | beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke beginner 104 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid 105 13, 6 | in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij 106 13, 7 | 7 Want met zijn werken omgaande, 107 13, 9 | 9 Want hebben zij zoveel vermocht 108 13, 16| hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft 109 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft 110 14, 3 | o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee 111 14, 6 | 6 Want ook in het begin als de 112 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door 113 14, 9 | 9 Want bij God zijn even hatelijk 114 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden 115 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne 116 14, 14| 14 Want ijdele eer der mensen is 117 14, 15| 15 Want een vader, door ontijdige 118 14, 19| 19 Want deze misschien willende 119 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden 120 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die 121 14, 28| 28 Want verheugd zijnde, of zij 122 14, 29| 29 Want betrouwen hebbende op de 123 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij 124 15, 2 | 2 Want ook zo wij zondigen; wij 125 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen 126 15, 4 | 4 Want ons heeft niet verleid de 127 15, 7 | 7 Want ook een pottenbakker tredende 128 15, 12| jaarmarkt, waar men gewin doet; want men moet, zeggen zij, wanneer 129 15, 13| 13 Want deze weet boven alle anderen 130 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt, 131 15, 16| heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken 132 15, 17| onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen 133 15, 18| de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere 134 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, 135 16, 5 | 5 Want ook wanneer een schrikkelijke 136 16, 7 | 7 Want wie zich daartoe keerde, 137 16, 9 | 9 Want die werden wel van de beten 138 16, 10| draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen 139 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen 140 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister 141 16, 13| 13 Want gij hebt macht over leven 142 16, 16| 16 Want de goddelozen weigerende 143 16, 17| 17 Want (hetwelk op het hoogste 144 16, 17| hetwelk toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de 145 16, 18| 18 Want somtijds matigde zich de 146 16, 21| 21 Want deze uw onderstutting maakt 147 16, 24| 24 Want het schepsel dienende U, 148 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet 149 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren 150 17, 1 | 1 WANT uw oordelen zijn groot en 151 17, 2 | 2 Want de ongerechtigen, als zij 152 17, 3 | 3 Want menende te schuilen in hun 153 17, 4 | 4 Want ook de binnenste plaats 154 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de 155 17, 9 | 9 Want ook al had hen niets schrikkelijks 156 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard 157 17, 12| 12 Want de vrees is niets anders 158 17, 15| door begeven hunner ziel: want een snelle en onverwachte 159 17, 17| 17 Want het ware dan een landman 160 17, 18| 18 Want zij waren allen met een 161 17, 20| 20 Want de gehele wereld lichtte 162 18, 4 | 4 Want zij waren ook waardig, dat 163 18, 8 | 8 Want gelijk gij de tegenpartijen 164 18, 9 | 9 Want de heilige kinderen der 165 18, 12| doods, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs 166 18, 13| 13 Want geen van al deze dingen 167 18, 14| 14 Want als nu alle dingen in rust 168 18, 19| 19 Want de dromen die hen ontroerden, 169 18, 21| 21 Want de onstrafbare man kwam 170 18, 23| 23 Want als nu reeds de doden met 171 18, 24| 24 Want op de lange rok was het 172 18, 25| verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving des toorns 173 19, 2 | 2 Want God wist van tevoren ook 174 19, 3 | 3 Want hebbende nog de rouw in 175 19, 4 | 4 Want de noodzakelijkheid, die 176 19, 6 | 6 Want het gehele schepsel werd 177 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid 178 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig 179 19, 12| 12 Want tot hun troost kwamen kwakkelen 180 19, 13| zekere geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor 181 19, 13| hadden als die van Sodom; want dezen namen de onbekenden 182 19, 16| des rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven 183 19, 17| 17 Want de elementen worden gevoegelijk 184 19, 18| 18 Want de land-dieren veranderen 185 19, 21| 21 Want, Here, in allen hebt gij


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License