Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
heren 6
herschapen 1
herwaarts 1
het 175
hetgeen 21
hetwelk 10
hetzelfde 2
Frequency    [«  »]
210 zij
199 die
185 want
175 het
168 is
167 van
162 der

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

het

    Chapter, Verse
1 1, 9 | onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden zal 2 1, 10| oor al de dingen hoort, en het knorren des murmurerens 3 1, 12| dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u door 4 1, 13| en heeft geen vermaak aan het verderf der levenden.~ 5 1, 14| venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet op 6 1, 16| woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, 7 1, 16| zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~ 8 2, 2 | niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten 9 2, 3 | uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest 10 2, 16| onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, 11 2, 22| verborgenheden Gods niet, en hebben het loon der heiligheid niet 12 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd 13 3, 13| die onbevlekt is, welke het bed niet heeft gekend in 14 3, 16| niet volkomen worden, en het zaad van een onwettig bed 15 3, 17| en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn.~ 16 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige 17 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige geslacht 18 4, 1 | 1 BETER is het onder kinderen te zijn, 19 4, 12| der boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van 20 4, 14| heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid weg 21 4, 15| 15 Doch de volken zien het, en bedenken het niet, en 22 4, 15| volken zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, 23 4, 17| 17 Want wij zullen zien het einde van de wijze, en niet 24 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets achten, maar 25 4, 19| bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; 26 5, 1 | vrijmoedigheid staan voor het aangezicht dergenen, die 27 5, 3 | zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten, 28 5, 6 | waarheid afgedwaald, en het licht der gerechtigheid 29 5, 10| des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen 30 5, 12| gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde, 31 5, 22| welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen.~ 32 5, 23| een slinger der gramschap; het water der zee zal tegen 33 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid, 34 6, 9 | ulieden dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij 35 6, 20| der wijsheid brengt tot het koninkrijk.~ 36 6, 22| verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte naarstig 37 6, 25| onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~ 38 7, 1 | alle anderen gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen 39 7, 2 | 2 En ben in het lichaam mijner moeder tot 40 7, 6 | Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, en een 41 7, 9 | steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar 42 7, 18| 18 Het beginsel, en het einde, 43 7, 18| 18 Het beginsel, en het einde, en het midden der 44 7, 18| beginsel, en het einde, en het midden der tijden, de verwisselingen 45 7, 20| grimmigheid der wilde dieren, het geweld der winden, en de 46 7, 20| overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid der 47 7, 22| klaar, zacht, beminnende het goed, scherp, die niet kan 48 7, 29| boven alle sterren, bij het licht vergeleken zijnde, 49 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het andere 50 8, 1 | reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert 51 8, 5 | begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan 52 8, 7 | de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.~ 53 8, 10| heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde 54 8, 11| scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht 55 8, 11| worden in het gericht, en in het gezicht der machtigen zal 56 9, 5 | tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht 57 9, 5 | gering in het verstand van het gericht en der wetten.~ 58 9, 15| 15 Want het verderfelijk lichaam bezwaart 59 9, 15| tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.~ 60 10, 6 | rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf 61 10, 8 | alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar 62 10, 10| zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond, 63 11, 15| uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd 64 11, 15| over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten 65 11, 18| 18 Want het ontbrak uw almachtige hand 66 11, 25| iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid hebben.~ 67 12, 5 | hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees 68 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk 69 12, 7 | 7 Opdat het land, hetwelk bij u het 70 12, 7 | het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, 71 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad van 72 12, 15| dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht, 73 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, 74 12, 18| verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.~ 75 12, 23| 23 Vanwaar het ook komt, dat gij degenen 76 12, 25| 25 Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting 77 13, 2 | Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de 78 13, 2 | de omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten 79 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd 80 13, 7 | zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de 81 13, 8 | 8 Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.~ 82 13, 10| 10 Maar het zijn ellendige mensen en 83 13, 10| een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.~ 84 13, 13| 13 En het overblijfsel daarvan dat 85 13, 13| hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt 86 13, 13| zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.~ 87 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde 88 13, 14| gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, 89 13, 15| zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het 90 13, 15| het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het 91 13, 15| het in de muur en maakt het vast met ijzer,~ 92 13, 16| 16 Opdat het immers niet zou afvallen 93 13, 16| zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het 94 13, 16| het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, 95 13, 16| hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp 96 13, 18| bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans 97 14, 1 | hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.~ 98 14, 2 | kunstige wijsheid heeft het toebereid.~ 99 14, 3 | voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de 100 14, 6 | 6 Want ook in het begin als de hovaardige 101 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid 102 14, 8 | vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat 103 14, 8 | gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, 104 14, 8 | gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God 105 14, 10| gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft 106 14, 12| bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij; en 107 14, 19| kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~ 108 14, 20| 20 En het gemene volk, door de aangenaamheid 109 14, 20| door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield 110 14, 21| tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, 111 14, 21| leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie 112 14, 22| 22 Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis 113 14, 25| 25 Maar het is al onder elkander vermengd, 114 14, 26| zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid 115 14, 26| geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid.~ 116 14, 27| niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak, 117 14, 27| beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.~ 118 15, 9 | zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, 119 15, 9 | koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij 120 15, 12| wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.~ 121 15, 14| vijanden uws volks, die het onderdrukken, zijn allen 122 15, 17| leven heeft, maar zij hadden het nooit.~ 123 15, 19| zeer begeerd te worden, in het aanzien der andere dieren; 124 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, die 125 16, 6 | duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor 126 16, 6 | hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.~ 127 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad 128 16, 15| 15 Het is onmogelijk uw hand te 129 16, 16| onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.~ 130 16, 17| 17 Want (hetwelk op het hoogste te verwonderen is) 131 16, 17| hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht 132 16, 17| had een meerdere kracht in het water, hetwelk toch alles 133 16, 19| Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water boven 134 16, 19| de vlam in het midden van het water boven de kracht van 135 16, 19| water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas 136 16, 19| van het vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen 137 16, 19| opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen 138 16, 22| bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, 139 16, 22| zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel 140 16, 22| bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven 141 16, 23| 23 Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten, 142 16, 24| 24 Want het schepsel dienende U, die 143 16, 26| leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens 144 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, 145 17, 2 | als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht 146 17, 6 | en vervaard zijnde voor het gezicht, dat niet gezien 147 17, 9 | bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en 148 17, 11| conscientie vermoedt altijd het zwaarste.~ 149 17, 12| behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~ 150 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of 151 17, 19| omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met 152 17, 19| takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, 153 18, 4 | ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis 154 18, 4 | ingesloten hielden door welke het onverderfelijke licht uwer 155 18, 5 | en een kind van die in het water uitgezet en behouden 156 18, 6 | zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, 157 18, 7 | verlossing der rechtvaardigen, en het verderf der vijanden.~ 158 18, 9 | kinderen der vromen offerden in het verborgen, en ordineerden 159 18, 15| een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat 160 18, 15| krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou 161 18, 16| gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte 162 18, 21| van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door 163 18, 21| gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich 164 18, 22| kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende 165 18, 24| Want op de lange rok was het gehele versiersel, en de 166 19, 1 | zonder ontferming tot aan het einde.~ 167 19, 6 | 6 Want het gehele schepsel werd in 168 19, 8 | 8 Waardoor al het volk overging, die met uw 169 19, 10| dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; 170 19, 19| 19 Het vuur was krachtig in het 171 19, 19| Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen 172 19, 19| eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende 173 19, 20| vlammen verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke 174 19, 20| verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve, en die 175 19, 21| heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License