Chapter, Verse
1 1, 9 | onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden zal
2 1, 10| oor al de dingen hoort, en het knorren des murmurerens
3 1, 12| dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u door
4 1, 13| en heeft geen vermaak aan het verderf der levenden.~
5 1, 14| venijn des verderfs, en het rijk der hel is niet op
6 1, 16| woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend,
7 1, 16| zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~
8 2, 2 | niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten
9 2, 3 | uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest
10 2, 16| onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen,
11 2, 22| verborgenheden Gods niet, en hebben het loon der heiligheid niet
12 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd
13 3, 13| die onbevlekt is, welke het bed niet heeft gekend in
14 3, 16| niet volkomen worden, en het zaad van een onwettig bed
15 3, 17| en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn.~
16 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige
17 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige geslacht
18 4, 1 | 1 BETER is het onder kinderen te zijn,
19 4, 12| der boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van
20 4, 14| heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid weg
21 4, 15| 15 Doch de volken zien het, en bedenken het niet, en
22 4, 15| volken zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging,
23 4, 17| 17 Want wij zullen zien het einde van de wijze, en niet
24 4, 18| 18 Zij zullen het zien en niets achten, maar
25 4, 19| bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden;
26 5, 1 | vrijmoedigheid staan voor het aangezicht dergenen, die
27 5, 3 | zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten,
28 5, 6 | waarheid afgedwaald, en het licht der gerechtigheid
29 5, 10| des waters, waarvan, als het voorbij gevaren is geen
30 5, 12| gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde,
31 5, 22| welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen.~
32 5, 23| een slinger der gramschap; het water der zee zal tegen
33 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid,
34 6, 9 | ulieden dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij
35 6, 20| der wijsheid brengt tot het koninkrijk.~
36 6, 22| verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte naarstig
37 6, 25| onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~
38 7, 1 | alle anderen gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen
39 7, 2 | 2 En ben in het lichaam mijner moeder tot
40 7, 6 | Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, en een
41 7, 9 | steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar
42 7, 18| 18 Het beginsel, en het einde,
43 7, 18| 18 Het beginsel, en het einde, en het midden der
44 7, 18| beginsel, en het einde, en het midden der tijden, de verwisselingen
45 7, 20| grimmigheid der wilde dieren, het geweld der winden, en de
46 7, 20| overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid der
47 7, 22| klaar, zacht, beminnende het goed, scherp, die niet kan
48 7, 29| boven alle sterren, bij het licht vergeleken zijnde,
49 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het andere
50 8, 1 | reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert
51 8, 5 | begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan
52 8, 7 | de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding.~
53 8, 10| heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde
54 8, 11| scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht
55 8, 11| worden in het gericht, en in het gezicht der machtigen zal
56 9, 5 | tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht
57 9, 5 | gering in het verstand van het gericht en der wetten.~
58 9, 15| 15 Want het verderfelijk lichaam bezwaart
59 9, 15| tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.~
60 10, 6 | rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf
61 10, 8 | alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar
62 10, 10| zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond,
63 11, 15| uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd
64 11, 15| over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten
65 11, 18| 18 Want het ontbrak uw almachtige hand
66 11, 25| iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid hebben.~
67 12, 5 | hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees
68 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk
69 12, 7 | 7 Opdat het land, hetwelk bij u het
70 12, 7 | het land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle,
71 12, 11| 11 Want het was een vervloekt zaad van
72 12, 15| dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht,
73 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid,
74 12, 18| verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij wilt.~
75 12, 23| 23 Vanwaar het ook komt, dat gij degenen
76 12, 25| 25 Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting
77 13, 2 | Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de
78 13, 2 | de omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten
79 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd
80 13, 7 | zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de
81 13, 8 | 8 Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.~
82 13, 10| 10 Maar het zijn ellendige mensen en
83 13, 10| een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.~
84 13, 13| 13 En het overblijfsel daarvan dat
85 13, 13| hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt
86 13, 13| zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.~
87 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde
88 13, 14| gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel,
89 13, 15| zulk een huis gemaakt als het waardig is, zet hij het
90 13, 15| het waardig is, zet hij het in de muur en maakt het
91 13, 15| het in de muur en maakt het vast met ijzer,~
92 13, 16| 16 Opdat het immers niet zou afvallen
93 13, 16| zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het
94 13, 16| het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen,
95 13, 16| hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp
96 13, 18| bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen dat gans
97 14, 1 | hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.~
98 14, 2 | kunstige wijsheid heeft het toebereid.~
99 14, 3 | voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de
100 14, 6 | 6 Want ook in het begin als de hovaardige
101 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid
102 14, 8 | vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat
103 14, 8 | gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat,
104 14, 8 | gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God
105 14, 10| gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft
106 14, 12| bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij; en
107 14, 19| kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~
108 14, 20| 20 En het gemene volk, door de aangenaamheid
109 14, 20| door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield
110 14, 21| tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen,
111 14, 21| leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie
112 14, 22| 22 Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis
113 14, 25| 25 Maar het is al onder elkander vermengd,
114 14, 26| zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid
115 14, 26| geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid.~
116 14, 27| niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak,
117 14, 27| beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.~
118 15, 9 | zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet,
119 15, 9 | koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij
120 15, 12| wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.~
121 15, 14| vijanden uws volks, die het onderdrukken, zijn allen
122 15, 17| leven heeft, maar zij hadden het nooit.~
123 15, 19| zeer begeerd te worden, in het aanzien der andere dieren;
124 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, die
125 16, 6 | duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor
126 16, 6 | hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet.~
127 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad
128 16, 15| 15 Het is onmogelijk uw hand te
129 16, 16| onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende.~
130 16, 17| 17 Want (hetwelk op het hoogste te verwonderen is)
131 16, 17| hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht
132 16, 17| had een meerdere kracht in het water, hetwelk toch alles
133 16, 19| Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water boven
134 16, 19| de vlam in het midden van het water boven de kracht van
135 16, 19| water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas
136 16, 19| van het vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen
137 16, 19| opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen
138 16, 22| bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet,
139 16, 22| zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel
140 16, 22| bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven
141 16, 23| 23 Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten,
142 16, 24| 24 Want het schepsel dienende U, die
143 16, 26| leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens
144 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet verdorven was,
145 17, 2 | als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht
146 17, 6 | en vervaard zijnde voor het gezicht, dat niet gezien
147 17, 9 | bevende, zijnde vervaard door het ontmoeten der beesten en
148 17, 11| conscientie vermoedt altijd het zwaarste.~
149 17, 12| behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~
150 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of
151 17, 19| omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met
152 17, 19| takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende,
153 18, 4 | ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis
154 18, 4 | ingesloten hielden door welke het onverderfelijke licht uwer
155 18, 5 | en een kind van die in het water uitgezet en behouden
156 18, 6 | zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden,
157 18, 7 | verlossing der rechtvaardigen, en het verderf der vijanden.~
158 18, 9 | kinderen der vromen offerden in het verborgen, en ordineerden
159 18, 15| een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat
160 18, 15| krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou
161 18, 16| gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte
162 18, 21| van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door
163 18, 21| gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich
164 18, 22| kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende
165 18, 24| Want op de lange rok was het gehele versiersel, en de
166 19, 1 | zonder ontferming tot aan het einde.~
167 19, 6 | 6 Want het gehele schepsel werd in
168 19, 8 | 8 Waardoor al het volk overging, die met uw
169 19, 10| dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap;
170 19, 19| 19 Het vuur was krachtig in het
171 19, 19| Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen
172 19, 19| eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende
173 19, 20| vlammen verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke
174 19, 20| verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve, en die
175 19, 21| heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te
|