Chapter, Verse
1 1, 6 | 6 Want de wijsheid is een menslievende geest,
2 1, 6 | lippen lastert, want God is een getuige zijner nieren,
3 1, 8 | die spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak
4 1, 10| murmurerens hem niet verborgen is.~
5 1, 14| zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des verderfs,
6 1, 14| verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.~
7 1, 15| 15 Gerechtigheid is onsterfelijk.~
8 2, 1 | tot elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar
9 2, 1 | kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood
10 2, 1 | uit de hel wedergekeerd is.~
11 2, 2 | snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is
12 2, 2 | is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door
13 2, 5 | 5 Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat,
14 2, 5 | die voorbijgaat, en daar is geen wederkeren van onze
15 2, 5 | van onze dood, want die is verzegeld en niemand keert
16 2, 9 | der weelde laten, want dit is ons deel, en dit is ons
17 2, 9 | dit is ons deel, en dit is ons lot.~
18 2, 11| gerechtigheid, want hetgeen zwak is wordt onnut bevonden.~
19 2, 12| rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich
20 2, 14| 14 Hij is ons geworden tot een wederlegging
21 2, 15| 15 Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs
22 2, 15| te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en
23 2, 16| pocht dat God zijn vader is.~
24 2, 18| rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp
25 2, 24| door des duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen,
26 3, 4 | mensen gepijnigd worden, zo is nochtans hun hoop vol onsterfelijkheid.~
27 3, 9 | genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht
28 3, 11| 11 Want hij is ellendig die de wijsheid
29 3, 11| tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn
30 3, 13| 13 Hun geslacht is vervloekt, daarom is de
31 3, 13| geslacht is vervloekt, daarom is de onvruchtbare zalig, die
32 3, 13| onvruchtbare zalig, die onbevlekt is, welke het bed niet heeft
33 3, 14| 14 En de gesnedene is zalig die geen onrecht met
34 3, 15| vrucht van de goede arbeid is heerlijk, en de wortel der
35 3, 19| onrechtvaardige geslacht is zwaar.~
36 4, 1 | 1 BETER is het onder kinderen te zijn,
37 4, 1 | hebben, want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve,
38 4, 2 | 2 Als zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en
39 4, 5 | gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp tot spijs,
40 4, 8 | 8 Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel
41 4, 8 | niet die van veel tijds is, noch die met een getal
42 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze
43 4, 9 | en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom.~
44 4, 10| 10 Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; en levende
45 4, 12| gemoed om, dat zonder kwaad is.~
46 4, 15| genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht
47 4, 16| rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen
48 4, 16| die schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom
49 5, 5 | 5 Hoe is hij nu gerekend onder de
50 5, 5 | de kinderen Gods, en hoe is zijn lot onder de heiligen!~
51 5, 6 | de zon der gerechtigheid is ons niet opgegaan.~
52 5, 10| als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt,
53 5, 15| de hoop van de goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk
54 5, 15| maar één dag gast geweest is.~
55 5, 16| eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en de Allerhoogste
56 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door de Here gegeven,
57 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid,
58 6, 9 | ulieden dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat
59 6, 12| Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht
60 6, 15| Want aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid,
61 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware begeerte der onderwijzing,
62 6, 17| van onderwezen te worden is liefde,~
63 6, 18| 18 En de liefde is de onderhouding van haar
64 6, 18| onderhouding der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,~
65 6, 19| maakt dat men nabij God is.~
66 6, 22| 22 Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is,
67 6, 22| is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en
68 6, 24| Maar de menigte der wijzen is de behoudenis der wereld,
69 6, 24| wereld, en een wijs koning is des volks welstand.~
70 7, 3 | geschept, die ons gemeen is, en ben gevallen op de aarde,
71 7, 3 | eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest,
72 7, 6 | mensen ingang in het leven is enerlei, en een even gelijke
73 7, 9 | goud ten aanzien van haar is als een weinig zand, en
74 7, 9 | een weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te
75 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die
76 7, 21| alle dingen een kunstenares is, heeft ze mij geleerd.~
77 7, 22| 22 Want in haar is een geest die verstandig
78 7, 22| een geest die verstandig is, heilig, enig, menigvuldig,
79 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging,
80 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods,
81 7, 25| in haar niets dat besmet is.~
82 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen
83 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, en verheven
84 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der wetenschap
85 8, 5 | zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker
86 8, 5 | bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die
87 8, 6 | vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn
88 8, 7 | liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert
89 8, 9 | mij zal raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning
90 8, 17| wijsheid de onsterfelijkheid is;~
91 8, 18| vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer
92 8, 18| omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap
93 8, 18| harer woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende
94 9, 6 | van u komt, niet bij hem is.~
95 9, 9 | 9 Bij u is de wijsheid, die uw werken
96 9, 9 | en verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht
97 9, 9 | in uw ogen, en wat recht is in uw geboden.~
98 9, 10| verstaan, wat u welbehagelijk is.~
99 9, 16| wij hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd
100 9, 16| nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~
101 9, 18| geleerd hetgeen u behagelijk is.~
102 10, 3 | zijnde door zijn toorn, is verloren gegaan met de toornige
103 10, 7 | boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land,
104 10, 12| de godzaligheid machtiger is dan alles.~
105 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van de
106 10, 17| een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel
107 11, 22| 22 Want groot vermogen is altijd bij u, en wie kan
108 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor u gelijk een aasje
109 11, 25| hebt alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan
110 12, 1 | uw onverderfelijke Geest is in allen.~
111 12, 7 | hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning
112 12, 13| 13 Want daar is geen God dan gij die voor
113 12, 15| degene, die niet schuldig is om gestraft te worden.~
114 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid,
115 12, 17| gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid
116 12, 18| verschoning, want bij u is het vermogen wanneer gij
117 12, 27| verdoemenis over hen gekomen is.~
118 13, 1 | welke geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare
119 13, 1 | vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking
120 13, 3 | hoeveel beter de Here daarvan is; want de oorspronkelijke
121 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd
122 13, 4 | bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft.~
123 13, 6 | 6 Maar nochtans is in deze de klacht gering,
124 13, 8 | 8 Doch wederom is het ook deze niet te vergeven.~
125 13, 10| ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen,
126 13, 11| toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:~
127 13, 13| dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom
128 13, 13| hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig
129 13, 13| neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid,
130 13, 14| van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen
131 13, 15| gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur
132 13, 16| niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp
133 13, 17| een ding dat zonder ziel is.~
134 13, 18| 18 En dat zwak is roept hij aan om gezondheid,
135 13, 18| en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en hetgeen
136 13, 18| hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~
137 14, 1 | een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert.~
138 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid
139 14, 8 | Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt,
140 14, 8 | handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene
141 14, 10| daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt
142 14, 12| de bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij;
143 14, 14| Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en
144 14, 14| wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden.~
145 14, 16| overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden
146 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest voor
147 14, 25| 25 Maar het is al onder elkander vermengd,
148 14, 27| niet behoort te noemen, is het beginsel, en de oorzaak,
149 15, 3 | 3 Want u kennen is een volkomen gerechtigheid,
150 15, 3 | gerechtigheid, en uw kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.~
151 15, 4 | een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.~
152 15, 5 | beeld, hetwelk zonder adem is.~
153 15, 8 | zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld der ziel
154 15, 9 | 9 Maar hij is bezorgd, niet omdat hij
155 15, 10| 10 Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter
156 15, 10| hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn
157 15, 10| dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem.~
158 15, 16| god maken die Hem gelijk is.~
159 15, 17| onrechtvaardige handen; want hij is beter dan hetgeen hij als
160 16, 14| de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren,
161 16, 14| wederbrengen die weggenomen is.~
162 16, 15| 15 Het is onmogelijk uw hand te ontvlieden.~
163 16, 17| het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere
164 17, 11| 11 Want de boosheid is een vervaard ding, veroordeeld
165 17, 12| 12 Want de vrees is niets anders dan een begeven
166 17, 13| de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid
167 18, 7 | 7 En van uw volk is verkregen de verlossing
168 18, 20| rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking
|