Chapter, Verse
1 1, 1 | die de aarde richt; hebt van de Here een goed gevoelen
2 1, 3 | verkeerde gedachten scheiden van God, en zijn kracht beproefd
3 1, 5 | de bedriegerij, wijkt af van de gedachten der onverstandigen
4 1, 11| murmurering en onthoudt uw tong van achterklappen, want de verborgen
5 2, 2 | voortkomende door de beweging van ons hart.~
6 2, 4 | voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid
7 2, 4 | verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd
8 2, 4 | stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.~
9 2, 5 | daar is geen wederkeren van onze dood, want die is verzegeld
10 2, 9 | 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben
11 2, 12| de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden onzer
12 2, 13| wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf
13 2, 16| 16 Wij worden van hem geacht als vals zilver,
14 2, 16| zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden:
15 2, 16| zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst
16 2, 23| heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur.~
17 2, 24| de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven
18 3, 3 | 3 En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn
19 3, 7 | 7 Ten tijde van hun bezoeking zullen zij
20 3, 10| rechtvaardige niet hebben geacht, en van de Here zijn afgeweken.~
21 3, 15| 15 Want de vrucht van de goede arbeid is heerlijk,
22 3, 16| volkomen worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen.~
23 3, 19| 19 Want het einde van het onrechtvaardige geslacht
24 4, 4 | loffelijk voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en van
25 4, 4 | van de wind bewogen, en van de kracht der winden uitgeworteld
26 4, 8 | ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch die
27 4, 8 | noch die met een getal van jaren gemeten wordt.~
28 4, 12| het goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed
29 4, 17| wij zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken
30 5, 6 | 6 Voorwaar wij zijn van de weg der waarheid afgedwaald,
31 5, 11| kenteken wordt gevonden van de reis des vogels, die
32 5, 11| vindt men geen teken in hem van de doortocht.~
33 5, 15| 15 Want de hoop van de goddeloze is gelijk een
34 5, 15| gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven wordt,
35 5, 15| gedachtenis voorbijgaat van degene, die maar één dag
36 5, 22| heengaan, en gelijk als van een welgespannen boog uit
37 6, 1 | verstaat; leert gij rechters van de einden der aarde,~
38 6, 4 | Omdat gij dienaars zijnde van zijn koninkrijk niet recht
39 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de persoon niet
40 6, 17| onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden is
41 6, 18| liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding
42 6, 22| verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte
43 7, 1 | alle anderen gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen
44 7, 1 | gelijk, en van het geslacht van de eerstgeschapen mens,
45 7, 3 | eerste stem geweest, gelijk van alle anderen.~
46 7, 8 | 8 Ik hield meer van haar dan van scepters en
47 7, 8 | hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom
48 7, 9 | al het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand,
49 7, 12| en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster
50 7, 16| kloekheid en wetenschap van handwerken.~
51 7, 18| tijden, de verwisselingen van de omkeringen der zon, en
52 7, 21| 21 Ik heb kennis van alle, beide van verborgen
53 7, 21| heb kennis van alle, beide van verborgen en openbare dingen,
54 7, 21| dingen, want de wijsheid, die van alle dingen een kunstenares
55 7, 25| uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige, daarom valt
56 7, 26| en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en
57 7, 27| vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht tot geslacht, in
58 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het andere
59 8, 2 | liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar
60 8, 2 | geworden een liefhebber van haar schoonheid.~
61 8, 8 | tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden.~
62 8, 18| de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid
63 8, 21| ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo
64 9, 2 | heersen over de schepselen die van u gemaakt zijn,~
65 9, 5 | dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig tijds, en zeer gering
66 9, 5 | zeer gering in het verstand van het gericht en der wetten.~
67 9, 6 | wanneer de wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.~
68 9, 8 | woning, naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke
69 9, 8 | tabernakel, welke gij tevoren van den beginne bereid hadt.~
70 9, 10| heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid,
71 9, 13| 13 Want wie van de mensen kan de raad Gods
72 9, 17| Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats.~
73 10, 3 | 3 Van welke de onrechtvaardige,
74 10, 7 | 7 Van welker boosheid nog een
75 10, 7 | staande tot gedachtenis van de ongelovige ziel.~
76 10, 8 | leven een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat
77 10, 10| Gods getoond, en kennis van heilige dingen gegeven,
78 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem
79 10, 16| Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en
80 10, 19| heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~
81 11, 1 | voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet.~
82 11, 4 | steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen.~
83 11, 7 | 7 Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd
84 11, 7 | in plaats van een fontein van de altijd vlietende stroom,
85 11, 15| hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd,
86 11, 16| 16 En in plaats van de onverstandige overleggingen
87 11, 18| hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.~
88 11, 19| uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke
89 11, 22| u, en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?~
90 11, 23| weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, nederkomende
91 12, 2 | zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde
92 12, 3 | hatende de oude inwoners van uw heilig land,~
93 12, 4 | hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offeranden,~
94 12, 5 | kinderen, en die het ingewand van mensenvlees aten,~
95 12, 6 | bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de
96 12, 7 | bij u het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning
97 12, 8 | verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden,
98 12, 11| het was een vervloekt zaad van den beginne; noch iemand
99 12, 15| acht het vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen
100 12, 20| tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten;~
101 12, 21| vaderen gij eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?~
102 13, 1 | VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke
103 13, 1 | ijdel, bij welke geen kennis van God is, en hebben uit de
104 13, 10| onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand.~
105 13, 12| gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze te bereiden,
106 13, 13| en maakt daar een beeld van door de ervarenheid zijns
107 13, 14| maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is,
108 14, 13| 13 Want zij waren van den beginne niet, en zullen
109 14, 17| hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben
110 14, 17| schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden;
111 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook
112 14, 18| aangedreven tot voortzetten van deze dienst der beelden.~
113 14, 20| volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde
114 14, 22| genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook
115 14, 26| der zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid
116 14, 26| geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en
117 14, 27| de oorzaak, en het einde van alle kwaad.~
118 14, 30| een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden;
119 15, 5 | lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, hetwelk
120 15, 6 | Zulke mensen zijn beminnaars van kwade dingen, en zodanige
121 15, 7 | werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden,
122 15, 12| wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, gewin zoeken.~
123 15, 13| dat hij zondig, makende van aardse stoffen vaten die
124 16, 2 | 2 In plaats van zulk een plaag, hebt gij
125 16, 2 | hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen.~
126 16, 3 | gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte
127 16, 6 | doen gedenken aan het gebod van uw wet.~
128 16, 7 | maar door u de behouder van allen.~
129 16, 9 | 9 Want die werden wel van de beten der sprinkhanen
130 16, 9 | omdat zij waardig waren van zulke geplaagd te worden.~
131 16, 10| kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken
132 16, 19| ook de vlam in het midden van het water boven de kracht
133 16, 19| het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het
134 16, 19| vuur, opdat zij het gewas van het land des onrechtvaardigen
135 16, 20| engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder
136 16, 27| 27 Want hetgeen van het vuur niet verdorven
137 17, 2 | te houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid
138 17, 2 | de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten
139 17, 8 | Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik
140 17, 12| der behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~
141 17, 13| hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij
142 17, 14| uit de binnenste holen van de onverdragelijke hel voortgekomen,
143 17, 19| dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende,
144 17, 19| gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen worden,
145 18, 4 | waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd en in
146 18, 5 | heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet
147 18, 7 | 7 En van uw volk is verkregen de
148 18, 13| 13 Want geen van al deze dingen gelovende
149 18, 15| daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke
150 18, 15| krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven
151 18, 17| terstond zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, en
152 18, 21| hen, brengende de wapenen van zijn dienst, namelijk het
153 18, 22| lichaams, niet door kracht van wapenen, maar door het woord
154 18, 24| grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.~
155 19, 2 | 2 Want God wist van tevoren ook hun toekomende
156 19, 6 | werd in zijn aard wederom van nieuws herschapen, dienende
157 19, 10| geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe
158 19, 10| hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten,
159 19, 10| in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht,
160 19, 10| en de rivier in plaats van vissen, een menigte van
161 19, 10| van vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.~
162 19, 11| gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen zij door lust
163 19, 13| zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen,
164 19, 13| geoefend hadden als die van Sodom; want dezen namen
165 19, 15| reeds medegenoten waren van hun rechten.~
166 19, 16| zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.~
167 19, 17| snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende
|