Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
deksel 2
den 3
denken 1
der 162
dergelijke 1
dergene 1
dergenen 6
Frequency    [«  »]
175 het
168 is
167 van
162 der
156 zijn
141 in
121 niet

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

der

    Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing vliedt de bedriegerij, 2 1, 5 | wijkt af van de gedachten der onverstandigen en bestraft 3 1, 7 | tezamen houdt heeft kennis der stem.~ 4 1, 9 | Want over de raadslagen der goddelozen zal onderzoek 5 1, 13| vermaak aan het verderf der levenden.~ 6 1, 14| te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, en 7 1, 14| des verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.~ 8 2, 4 | nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar 9 2, 7 | wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~ 10 2, 9 | laat ons overal merktekenen der weelde laten, want dit is 11 2, 11| onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen 12 2, 16| hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht 13 2, 22| niet, en hebben het loon der heiligheid niet te hopen, 14 2, 22| hopen, en achten de eer der onbestraffelijke zielen 15 3, 1 | 1 MAAR de zielen der rechtvaardigen zijn in de 16 3, 2 | Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun 17 3, 4 | of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd worden, 18 3, 13| genieten in de bezoeking der zielen.~ 19 3, 15| is heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt niet.~ 20 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers zullen niet 21 4, 2 | triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die onbevlekt zijn, 22 4, 3 | Maar de vruchtbare menigte der goddelozen zal geen voordeel 23 4, 4 | bewogen, en van de kracht der winden uitgeworteld worden.~ 24 4, 6 | bijslaap geboren, zijn getuigen der boosheid tegen hun ouders, 25 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid verdonkert het 26 4, 14| gehaast hem uit het midden der boosheid weg te nemen.~ 27 5, 6 | Voorwaar wij zijn van de weg der waarheid afgedwaald, en 28 5, 6 | afgedwaald, en het licht der gerechtigheid heeft ons 29 5, 6 | niet beschenen, en de zon der gerechtigheid is ons niet 30 5, 7 | vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid en des verderfs, 31 5, 11| bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen 32 5, 14| 14 En kunnen geen teken der deugd tonen, maar zijn in 33 5, 16| rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun loon 34 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen zullen heengaan, 35 5, 23| worden, als uit een slinger der gramschap; het water der 36 5, 23| der gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden, 37 5, 24| 24 De Geest der kracht zal hen tegenstaan, 38 5, 24| boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.~ 39 6, 1 | gij rechters van de einden der aarde,~ 40 6, 2 | verhovaardigt over de scharen der volken.~ 41 6, 15| gedenken is de volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil 42 6, 17| beginsel is de ware begeerte der onderwijzing, en de bezorging 43 6, 18| wetten, en de onderhouding der wetten is verzekering der 44 6, 18| der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,~ 45 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt tot het 46 6, 21| behagen hebt, gij koningen der volken, in tronen en scepters, 47 6, 24| 24 Maar de menigte der wijzen is de behoudenis 48 6, 24| wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning 49 7, 7 | ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam tot mij.~ 50 7, 15| want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de 51 7, 17| mij gegeven ware kennis der dingen die zijn, om te weten 52 7, 17| om te weten de gestalte der wereld, en de werkingen 53 7, 17| wereld, en de werkingen der elementen.~ 54 7, 18| het einde, en het midden der tijden, de verwisselingen 55 7, 18| verwisselingen van de omkeringen der zon, en de veranderingen 56 7, 18| zon, en de veranderingen der tijden,~ 57 7, 19| des jaars, en de stelling der sterren,~ 58 7, 20| 20 De natuur der dieren, en de grimmigheid 59 7, 20| dieren, en de grimmigheid der wilde dieren, het geweld 60 7, 20| wilde dieren, het geweld der winden, en de overleggingen 61 7, 20| winden, en de overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid 62 7, 20| het menigerlei onderscheid der planten, en de krachten 63 7, 20| planten, en de krachten der wortelen.~ 64 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, en een zuivere 65 7, 25| een zuivere uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige, 66 8, 4 | zij is een leermeesteres der wetenschap Gods, en doet 67 8, 8 | zij weet de verdraaiing der woorden en de ontbinding 68 8, 8 | woorden en de ontbinding der raadselen; tekenen en wonderen 69 8, 11| gericht, en in het gezicht der machtigen zal ik een verwondering 70 8, 17| bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid 71 9, 1 | mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle 72 9, 5 | verstand van het gericht en der wetten.~ 73 9, 6 | iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn, 74 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn 75 10, 1 | en alleen geschapen vader der wereld;~ 76 10, 5 | de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn 77 10, 6 | hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~ 78 10, 12| strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, opdat 79 10, 17| de heiligen gegeven loon der heiligheid voor hun moeite, 80 10, 17| des nachts tot een vlam der sterren.~ 81 10, 21| wijsheid opende de mond der stommen, en de tongen der 82 10, 21| der stommen, en de tongen der sprakelozen maakte zij welsprekend.~ 83 11, 13| zuchten, met de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan 84 11, 16| hebt gij hun een menigte der onvernuftige dieren tot 85 11, 24| en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~ 86 11, 27| o Here, gij liefhebber der zielen.~ 87 12, 7 | alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen 88 12, 10| niet zouden veranderen in der eeuwigheid.~ 89 12, 16| sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat 90 12, 24| waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat 91 13, 2 | snelle lucht, of de omloop der sterren, of het krachtige 92 13, 3 | oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze dingen 93 13, 5 | de grootte en schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke 94 13, 9 | kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben zij niet 95 13, 10| te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben 96 13, 10| kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen, 97 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft dat bedacht, 98 14, 6 | reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot 99 14, 6 | liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd 100 14, 11| Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden, 101 14, 11| geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen, 102 14, 11| ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.~ 103 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden is het beginsel 104 14, 12| afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding 105 14, 13| beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.~ 106 14, 14| 14 Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, 107 14, 16| beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden.~ 108 14, 18| voortzetten van deze dienst der beelden.~ 109 14, 22| levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij 110 14, 25| beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;~ 111 14, 26| 26 Vergetelheid der weldadigheid, besmetting 112 14, 26| weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling van 113 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die men ook niet 114 14, 31| altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.~ 115 15, 3 | kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.~ 116 15, 4 | verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw 117 15, 4 | mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een 118 15, 8 | genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~ 119 15, 14| ellendig boven de zielen der kleine kinderen.~ 120 15, 15| Omdat zij al de beelden der heidenen houden voor goden, 121 15, 19| te worden, in het aanzien der andere dieren; maar zij 122 16, 1 | geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd geweest.~ 123 16, 3 | vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden 124 16, 5 | schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en 125 16, 5 | kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven 126 16, 6 | vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om hen te doen 127 16, 9 | werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, 128 16, 13| leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder 129 16, 20| volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood 130 16, 22| bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven had.~ 131 16, 25| alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~ 132 16, 26| zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt, 133 16, 27| verwarmd door een kleine straal der zon.~ 134 17, 3 | onder een donker deksel der vergetelheid, zo werden 135 17, 5 | de glinsterende vlammen der sterren konden die droevige 136 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst lagen ook ter 137 17, 9 | vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der 138 17, 9 | der beesten en schuifelen der kruipende dieren.~ 139 17, 12| niets anders dan een begeven der behulpzaamheden, die van 140 17, 13| zij acht de onwetendheid der oorzaak, welke die pijn 141 17, 18| waren allen met een keten der duisternis gebonden.~ 142 17, 19| of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte 143 17, 19| aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen 144 17, 19| of de onzienlijke loop der springende beesten, of de 145 17, 19| springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, 146 17, 19| weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze 147 17, 21| uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die zij zouden 148 18, 3 | die hen geleidde op de weg der onbekende reis, en een zon, 149 18, 5 | hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een 150 18, 7 | verkregen de verlossing der rechtvaardigen, en het verderf 151 18, 7 | rechtvaardigen, en het verderf der vijanden.~ 152 18, 9 | Want de heilige kinderen der vromen offerden in het verborgen, 153 18, 9 | zingende reeds tevoren de lof der vaderen.~ 154 18, 10| overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke 155 18, 13| toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen beleden, 156 18, 20| woestijn een verbreking der menigte geschied, maar die 157 18, 24| versiersel, en de heerlijkheid der vaderen in de vier rijen 158 18, 24| vaderen in de vier rijen der stenen ingegraveerd en uw 159 19, 3 | en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander 160 19, 4 | hen in een vergetelheid der dingen die hun wedervaren 161 19, 17| uit een naarstig opmerken der dingen die geschied zijn.~ 162 19, 20| verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License