Chapter, Verse
1 1, 5 | 5 Want de Heilige Geest der onderwijzing vliedt de bedriegerij,
2 1, 5 | wijkt af van de gedachten der onverstandigen en bestraft
3 1, 7 | tezamen houdt heeft kennis der stem.~
4 1, 9 | Want over de raadslagen der goddelozen zal onderzoek
5 1, 13| vermaak aan het verderf der levenden.~
6 1, 14| te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, en
7 1, 14| des verderfs, en het rijk der hel is niet op aarde.~
8 2, 4 | nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van haar
9 2, 7 | wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~
10 2, 9 | laat ons overal merktekenen der weelde laten, want dit is
11 2, 11| onze sterkte zij een wet der gerechtigheid, want hetgeen
12 2, 16| hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen, en pocht
13 2, 22| niet, en hebben het loon der heiligheid niet te hopen,
14 2, 22| hopen, en achten de eer der onbestraffelijke zielen
15 3, 1 | 1 MAAR de zielen der rechtvaardigen zijn in de
16 3, 2 | Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun
17 3, 4 | of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd worden,
18 3, 13| genieten in de bezoeking der zielen.~
19 3, 15| is heerlijk, en de wortel der wijsheid vervalt niet.~
20 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers zullen niet
21 4, 2 | triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen, die onbevlekt zijn,
22 4, 3 | Maar de vruchtbare menigte der goddelozen zal geen voordeel
23 4, 4 | bewogen, en van de kracht der winden uitgeworteld worden.~
24 4, 6 | bijslaap geboren, zijn getuigen der boosheid tegen hun ouders,
25 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid verdonkert het
26 4, 14| gehaast hem uit het midden der boosheid weg te nemen.~
27 5, 6 | Voorwaar wij zijn van de weg der waarheid afgedwaald, en
28 5, 6 | afgedwaald, en het licht der gerechtigheid heeft ons
29 5, 6 | niet beschenen, en de zon der gerechtigheid is ons niet
30 5, 7 | vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid en des verderfs,
31 5, 11| bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen
32 5, 14| 14 En kunnen geen teken der deugd tonen, maar zijn in
33 5, 16| rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun loon
34 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen zullen heengaan,
35 5, 23| worden, als uit een slinger der gramschap; het water der
36 5, 23| der gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden,
37 5, 24| 24 De Geest der kracht zal hen tegenstaan,
38 5, 24| boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.~
39 6, 1 | gij rechters van de einden der aarde,~
40 6, 2 | verhovaardigt over de scharen der volken.~
41 6, 15| gedenken is de volkomenheid der kloekheid, en die om harentwil
42 6, 17| beginsel is de ware begeerte der onderwijzing, en de bezorging
43 6, 18| wetten, en de onderhouding der wetten is verzekering der
44 6, 18| der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,~
45 6, 20| 20 Want zelfs de begeerte der wijsheid brengt tot het
46 6, 21| behagen hebt, gij koningen der volken, in tronen en scepters,
47 6, 24| 24 Maar de menigte der wijzen is de behoudenis
48 6, 24| wijzen is de behoudenis der wereld, en een wijs koning
49 7, 7 | ik riep aan, en de geest der wijsheid kwam tot mij.~
50 7, 15| want hij leidt op de weg der wijsheid en bestiert de
51 7, 17| mij gegeven ware kennis der dingen die zijn, om te weten
52 7, 17| om te weten de gestalte der wereld, en de werkingen
53 7, 17| wereld, en de werkingen der elementen.~
54 7, 18| het einde, en het midden der tijden, de verwisselingen
55 7, 18| verwisselingen van de omkeringen der zon, en de veranderingen
56 7, 18| zon, en de veranderingen der tijden,~
57 7, 19| des jaars, en de stelling der sterren,~
58 7, 20| 20 De natuur der dieren, en de grimmigheid
59 7, 20| dieren, en de grimmigheid der wilde dieren, het geweld
60 7, 20| wilde dieren, het geweld der winden, en de overleggingen
61 7, 20| winden, en de overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid
62 7, 20| het menigerlei onderscheid der planten, en de krachten
63 7, 20| planten, en de krachten der wortelen.~
64 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, en een zuivere
65 7, 25| een zuivere uitvloeiing der heerlijkheid van de almachtige,
66 8, 4 | zij is een leermeesteres der wetenschap Gods, en doet
67 8, 8 | zij weet de verdraaiing der woorden en de ontbinding
68 8, 8 | woorden en de ontbinding der raadselen; tekenen en wonderen
69 8, 11| gericht, en in het gezicht der machtigen zal ik een verwondering
70 8, 17| bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid
71 9, 1 | mijner vaderen, en Here der barmhartigheid, die alle
72 9, 5 | verstand van het gericht en der wetten.~
73 9, 6 | iemand onder de kinderen der mensen volmaakt zou zijn,
74 9, 14| 14 Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn
75 10, 1 | en alleen geschapen vader der wereld;~
76 10, 5 | de inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn
77 10, 6 | hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~
78 10, 12| strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, opdat
79 10, 17| de heiligen gegeven loon der heiligheid voor hun moeite,
80 10, 17| des nachts tot een vlam der sterren.~
81 10, 21| wijsheid opende de mond der stommen, en de tongen der
82 10, 21| der stommen, en de tongen der sprakelozen maakte zij welsprekend.~
83 11, 13| zuchten, met de gedachtenis der dingen die voorbijgegaan
84 11, 16| hebt gij hun een menigte der onvernuftige dieren tot
85 11, 24| en gij overziet de zonden der mensen, opdat zij zich bekeren.~
86 11, 27| o Here, gij liefhebber der zielen.~
87 12, 7 | alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen
88 12, 10| niet zouden veranderen in der eeuwigheid.~
89 12, 16| sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat
90 12, 24| waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat
91 13, 2 | snelle lucht, of de omloop der sterren, of het krachtige
92 13, 3 | oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze dingen
93 13, 5 | de grootte en schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke
94 13, 9 | kunnen treffen de kennis der wereld, hoe hebben zij niet
95 13, 10| te rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben
96 13, 10| kunstig gewrocht, en beelden der dieren, of een onnutte steen,
97 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft dat bedacht,
98 14, 6 | reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar toevlucht tot
99 14, 6 | liet de wereld een zaad der voortteling na, zijnde bestuurd
100 14, 11| Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden,
101 14, 11| geworden zijn, en de zielen der mensen tot ergernissen,
102 14, 11| ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.~
103 14, 12| 12 Want de bedenking der afgoden is het beginsel
104 14, 12| afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding
105 14, 13| beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.~
106 14, 14| 14 Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen,
107 14, 16| beelden zijn door de geboden der tirannen geeerd geworden.~
108 14, 18| voortzetten van deze dienst der beelden.~
109 14, 22| levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij
110 14, 25| beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;~
111 14, 26| 26 Vergetelheid der weldadigheid, besmetting
112 14, 26| weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling van
113 14, 27| 27 Want de dienst der afgoden, die men ook niet
114 14, 31| altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.~
115 15, 3 | kracht weten, is een wortel der onsterfelijkheid.~
116 15, 4 | verleid de kwade bedenking der mensen, noch de schaduw
117 15, 4 | mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een
118 15, 8 | genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~
119 15, 14| ellendig boven de zielen der kleine kinderen.~
120 15, 15| Omdat zij al de beelden der heidenen houden voor goden,
121 15, 19| te worden, in het aanzien der andere dieren; maar zij
122 16, 1 | geplaagd, en door een menigte der beesten gepijnigd geweest.~
123 16, 3 | vanwege de vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden
124 16, 5 | schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en
125 16, 5 | kwam, en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven
126 16, 6 | vermaning, hebbende een teken der behoudenis, om hen te doen
127 16, 9 | werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood,
128 16, 13| leidt af tot de poorten der hel en leidt daar weder
129 16, 20| volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood
130 16, 22| bliksemende in de regen, het gewas der vijanden verdorven had.~
131 16, 25| alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~
132 16, 26| zouden, dat niet het gewas der vruchten de mens voedt,
133 16, 27| verwarmd door een kleine straal der zon.~
134 17, 3 | onder een donker deksel der vergetelheid, zo werden
135 17, 5 | de glinsterende vlammen der sterren konden die droevige
136 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst lagen ook ter
137 17, 9 | vervaard door het ontmoeten der beesten en schuifelen der
138 17, 9 | der beesten en schuifelen der kruipende dieren.~
139 17, 12| niets anders dan een begeven der behulpzaamheden, die van
140 17, 13| zij acht de onwetendheid der oorzaak, welke die pijn
141 17, 18| waren allen met een keten der duisternis gebonden.~
142 17, 19| of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de dichte
143 17, 19| aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven nedergeworpen
144 17, 19| of de onzienlijke loop der springende beesten, of de
145 17, 19| springende beesten, of de stem der huilende wreedste dieren,
146 17, 19| weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze
147 17, 21| uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis die zij zouden
148 18, 3 | die hen geleidde op de weg der onbekende reis, en een zon,
149 18, 5 | hadden de kleine kinderen der heiligen te doden, en een
150 18, 7 | verkregen de verlossing der rechtvaardigen, en het verderf
151 18, 7 | rechtvaardigen, en het verderf der vijanden.~
152 18, 9 | Want de heilige kinderen der vromen offerden in het verborgen,
153 18, 9 | zingende reeds tevoren de lof der vaderen.~
154 18, 10| overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke
155 18, 13| toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen beleden,
156 18, 20| woestijn een verbreking der menigte geschied, maar die
157 18, 24| versiersel, en de heerlijkheid der vaderen in de vier rijen
158 18, 24| vaderen in de vier rijen der stenen ingegraveerd en uw
159 19, 3 | en klagende bij de graven der doden, namen zij een ander
160 19, 4 | hen in een vergetelheid der dingen die hun wedervaren
161 19, 17| uit een naarstig opmerken der dingen die geschied zijn.~
162 19, 20| verzengden niet het vlees der zeer licht verderfelijke
|