Chapter, Verse
1 1, 1 | goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des harten.~
2 1, 4 | wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade
3 1, 4 | omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht.~
4 1, 14| wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn des
5 2, 2 | waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook,
6 2, 6 | metterhaast gebruiken, gelijk in de jeugd.~
7 2, 24| duivels nijdigheid is de dood in de wereld gekomen, en die
8 3, 1 | der rechtvaardigen zijn in de hand Gods, en geen kwaal
9 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der dwazen te sterven,
10 3, 3 | vernieling, maar zij zijn in vrede.~
11 3, 4 | 4 Want of zij wel in het gezicht der mensen gepijnigd
12 3, 6 | hen beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen
13 3, 7 | lopen, gelijk de vonken in de stoppelen.~
14 3, 8 | en de Here zal als koning in eeuwigheid over hen regeren.~
15 3, 9 | en de gelovigen zullen in liefde bij hem blijven,
16 3, 9 | genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht
17 3, 13| het bed niet heeft gekend in overtreding, zij zal de
18 3, 13| zij zal de vrucht genieten in de bezoeking der zielen.~
19 3, 14| en een zeer aangenaam lot in de tempel des Heren.~
20 3, 18| hoop hebben, noch troost in de dag des oordeels.~
21 4, 1 | want onsterfelijkheid is in de gedachtenis derzelve,
22 4, 2 | verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt
23 4, 4 | 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd
24 4, 7 | vroeg komt te sterven, zal in de rust zijn.~
25 4, 13| 13 In weinig tijds volmaakt geworden
26 4, 15| het niet, en nemen niet in overlegging, dat genade
27 4, 15| genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht
28 4, 19| versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal
29 4, 19| verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun gedachtenis
30 4, 20| 20 Zij zullen in overlegging hunner zonden
31 5, 7 | Wij zijn vervuld geworden in de paden der ongerechtigheid
32 5, 11| daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht.~
33 5, 14| der deugd tonen, maar zijn in onze boosheid verteerd geworden.~
34 5, 16| de rechtvaardigen leven in der eeuwigheid, en hun loon
35 6, 21| gij koningen der volken, in tronen en scepters, zo eert
36 7, 2 | 2 En ben in het lichaam mijner moeder
37 7, 2 | moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde
38 7, 2 | tien maanden tijds, zijnde in bloed tezamen geronnen uit
39 7, 4 | 4 In windselen ben ik opgevoed
40 7, 6 | Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, en
41 7, 8 | en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar.~
42 7, 12| 12 En ik was verheugd in alle dingen, want de wijsheid
43 7, 16| 16 Want in zijn hand zijn beide wij
44 7, 22| 22 Want in haar is een geest die verstandig
45 7, 25| almachtige, daarom valt in haar niets dat besmet is.~
46 7, 27| alles doen, en blijvende in zichzelf, vernieuwt zij
47 7, 27| van geslacht tot geslacht, in de heilige zielen overgaande,
48 8, 5 | begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker
49 8, 7 | welke de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander
50 8, 9 | mij een vermaning zijn, in zorg en droefheid.~
51 8, 11| scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht
52 8, 11| worden in het gericht, en in het gezicht der machtigen
53 8, 15| goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en
54 8, 15| oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij
55 8, 17| mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat in
56 8, 17| in mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid
57 8, 18| 18 En in haar vriendschap goede vermakelijkheid
58 8, 18| goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid harer handen
59 8, 18| die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening
60 8, 18| haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer woorden
61 8, 20| goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam.~
62 9, 3 | hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid,
63 9, 3 | heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.~
64 9, 5 | weinig tijds, en zeer gering in het verstand van het gericht
65 9, 8 | zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar
66 9, 9 | verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is
67 9, 9 | uw ogen, en wat recht is in uw geboden.~
68 9, 11| zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij
69 9, 16| heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~
70 10, 5 | behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen
71 10, 8 | niet kennen, maar laten ook in dit leven een gedachtenis
72 10, 8 | kunnen verbergen, zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld
73 10, 10| hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite
74 10, 11| 11 In de gierigheid dergenen die
75 10, 12| die hem lagen legden, en in die sterke strijd heeft
76 10, 13| verlost; zij voer met hem af in de put.~
77 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem
78 10, 16| 16 Zij is gegaan in de ziel van de dienaar des
79 11, 2 | onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen sloegen
80 11, 7 | 7 Zulks dat in plaats van een fontein van
81 11, 10| verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd,
82 11, 10| verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld zijnde,
83 11, 16| 16 En in plaats van de onverstandige
84 12, 1 | onverderfelijke Geest is in allen.~
85 12, 2 | boosheid afgeweken zijnde in u, Here, geloven zouden.~
86 12, 9 | onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen
87 12, 10| gedachten niet zouden veranderen in der eeuwigheid.~
88 12, 11| gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~
89 12, 17| en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.~
90 12, 23| komt, dat gij degenen die in dwaasheid des levens onrechtvaardig
91 12, 24| Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold,
92 13, 3 | 3 Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende,
93 13, 6 | 6 Maar nochtans is in deze de klacht gering, want
94 13, 15| waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast
95 14, 3 | het; want gij geeft ook in de zee een weg, en in de
96 14, 3 | ook in de zee een weg, en in de baren een zeker pad.~
97 14, 6 | 6 Want ook in het begin als de hovaardige
98 14, 13| beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.~
99 14, 14| ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom
100 14, 22| dwalen, maar ook levende in een grote strijd der onwetendheid,
101 15, 1 | waarachtig, lankmoedig, en in barmhartigheid regeert gij
102 15, 5 | Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt,
103 15, 8 | een kleine tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke
104 15, 11| ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest
105 15, 16| gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die
106 15, 19| zeer begeerd te worden, in het aanzien der andere dieren;
107 16, 2 | 2 In plaats van zulk een plaag,
108 16, 11| opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid,
109 16, 17| had een meerdere kracht in het water, hetwelk toch
110 16, 19| Somtijds brandde ook de vlam in het midden van het water
111 16, 22| erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende
112 16, 22| de hagel en bliksemende in de regen, het gewas der
113 16, 25| 25 Daarom ook toen in alles veranderd zijnde,
114 17, 3 | Want menende te schuilen in hun heimelijke zonden, onder
115 17, 16| gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.~
116 17, 17| die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast,
117 18, 3 | die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg.~
118 18, 4 | van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden
119 18, 5 | doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden
120 18, 5 | verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.~
121 18, 9 | kinderen der vromen offerden in het verborgen, en ordineerden
122 18, 12| dat hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven
123 18, 13| de toverijen, hebben zij in de dood der eerstgeborenen
124 18, 14| Want als nu alle dingen in rust en stilte waren, en
125 18, 14| stilte waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij
126 18, 15| als een ernstig krijgsheld in het midden van het land,
127 18, 20| rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking
128 18, 24| heerlijkheid der vaderen in de vier rijen der stenen
129 19, 3 | Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de
130 19, 4 | dit einde, en bracht hen in een vergetelheid der dingen
131 19, 6 | het gehele schepsel werd in zijn aard wederom van nieuws
132 19, 10| dingen die geschied waren in het land van hun vreemdelingschap;
133 19, 10| vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats van voortteling van
134 19, 10| voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte
135 19, 17| zichzelf veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen
136 19, 17| veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, hetwelk men
137 19, 18| de land-dieren veranderen in water-dieren, en die gemaakt
138 19, 19| 19 Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn
139 19, 20| verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve, en
140 19, 21| 21 Want, Here, in allen hebt gij uw volk groot
141 19, 21| gekeurd te allen tijde en in alle plaatsen bij te staan.~
|