Chapter, Verse
1 1, 2 | gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt
2 1, 2 | verschijnt die, die hem niet wantrouwen.~
3 1, 4 | 4 Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met
4 1, 4 | kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan
5 1, 6 | menslievende geest, doch zal niet onschuldig houden degene,
6 1, 8 | straffende wraak zal hem niet voorbijgaan.~
7 1, 10| knorren des murmurerens hem niet verborgen is.~
8 1, 11| want de verborgen rede zal niet ledig heengaan, en de mond
9 1, 12| 12 Staat niet naar de dood door dwaling
10 1, 12| levens, en trekt het verderf niet over u door werken uwer
11 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak
12 1, 14| en het rijk der hel is niet op aarde.~
13 2, 2 | zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het
14 2, 7 | de bloem der lente ga ons niet voorbij.~
15 2, 10| en laat ons de weduwen niet verschonen, en de grijze,
16 2, 10| veeljarige haren des ouden niet ontzien.~
17 2, 22| verstaan de verborgenheden Gods niet, en hebben het loon der
18 2, 22| het loon der heiligheid niet te hopen, en achten de eer
19 2, 22| onbestraffelijke zielen niet.~
20 3, 10| hebben; die de rechtvaardige niet hebben geacht, en van de
21 3, 13| onbevlekt is, welke het bed niet heeft gekend in overtreding,
22 3, 15| wortel der wijsheid vervalt niet.~
23 3, 16| kinderen der echtbrekers zullen niet volkomen worden, en het
24 4, 3 | scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste
25 4, 8 | Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch
26 4, 11| de boosheid zijn verstand niet zou veranderen, of list
27 4, 15| zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging,
28 4, 15| bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, dat genade
29 4, 17| het einde van de wijze, en niet bedenken wat zij over hem
30 5, 6 | gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de zon der
31 5, 6 | der gerechtigheid is ons niet opgegaan.~
32 5, 7 | weg des Heren hebben wij niet gekend.~
33 5, 12| zodat men zijn doorgang niet weet.~
34 6, 4 | zijnde van zijn koninkrijk niet recht hebt geoordeeld, noch
35 6, 7 | van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte niet
36 6, 7 | niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen
37 6, 9 | wijsheid leren zoudt en niet vervallen.~
38 6, 22| zal u de verborgenheden niet verbergen, maar zal haar
39 6, 23| En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende
40 7, 10| de glans uit haar wordt niet uitgeblust.~
41 7, 12| daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen
42 7, 13| haar rijkdom verberg ik niet.~
43 7, 14| de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken
44 7, 22| beminnende het goed, scherp, die niet kan verhinderd worden, weldadig.~
45 7, 30| boosheid zal de wijsheid niet overweldigen.~
46 8, 18| harer handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke
47 8, 21| verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien
48 8, 21| worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid,
49 9, 4 | tronen zit, en verwerp mij niet uit uw kinderen.~
50 9, 6 | wijsheid, die van u komt, niet bij hem is.~
51 10, 8 | voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat
52 10, 8 | schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in
53 10, 8 | dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen,
54 10, 13| 13 Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige
55 10, 14| de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij
56 11, 18| ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof,
57 11, 20| 20 Welker beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen
58 11, 25| gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid hebben.~
59 11, 26| wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden
60 11, 26| geweest zijn hetgeen door u niet geroepen werd?~
61 12, 9 | 9 Gij waart niet onmachtig om de goddelozen
62 12, 10| aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in der
63 12, 13| gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt geoordeeld.~
64 12, 15| veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft
65 12, 17| betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen
66 12, 26| bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen
67 13, 1 | uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene
68 13, 8 | wederom is het ook deze niet te vergeven.~
69 13, 9 | der wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Here dezer dingen
70 13, 16| 16 Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij
71 13, 16| wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is
72 13, 17| kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding
73 13, 19| reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om gewin,
74 13, 19| degene, die met de handen niet werken kan.~ ~ ~
75 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid
76 14, 13| zij waren van den beginne niet, en zullen in der eeuwigheid
77 14, 13| zullen in der eeuwigheid niet zijn.~
78 14, 17| 17 Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn,
79 14, 21| hebben gegeven de naam, die niet mag gemeen gemaakt worden.~
80 14, 22| 22 Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis
81 14, 24| bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat
82 14, 27| der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het
83 14, 29| hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende,
84 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij welke
85 15, 2 | kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij
86 15, 4 | 4 Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking
87 15, 9 | 9 Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben,
88 15, 11| 11 Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft,
89 15, 15| voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien,
90 15, 19| 19 En zijn niet schoon om zo zeer begeerd
91 16, 6 | 6 Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar
92 16, 7 | zich daartoe keerde, werd niet behouden door hetgeen hij
93 16, 10| tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid
94 16, 11| weder geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe
95 16, 11| zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald
96 16, 14| die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren, noch de
97 16, 18| zich de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten,
98 16, 22| onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen
99 16, 26| Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten de
100 16, 27| Want hetgeen van het vuur niet verdorven was, dat versmolt
101 17, 1 | daarom zijn de zielen, die niet onderwezen zijn, verleid
102 17, 4 | zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken
103 17, 5 | konden die droevige nacht niet helder maken.~
104 17, 6 | zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden zij
105 17, 20| was bezig met werken die niet verhinderd werden.~
106 18, 1 | maar zagen hun gedaante niet,~
107 18, 2 | die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen
108 18, 3 | reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke
109 18, 10| En daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt
110 18, 12| de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven,
111 18, 19| bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te
112 18, 20| geschied, maar die toorn duurde niet lang.~
113 18, 22| hij overwon de verderver niet door sterkte des lichaams,
114 18, 22| door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen,
115 19, 13| 13 Niet zonder voorgaande tekenen
116 19, 13| onbekenden die daar kwamen niet aan, maar genen dwongen
117 19, 14| 14 En niet alleen dat, maar mochten
118 19, 14| alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen
119 19, 20| Wederom de vlammen verzengden niet het vlees der zeer licht
120 19, 20| smeltende hemelse spijs versmolt niet.~
121 19, 21| heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te allen
|