Chapter, Verse
1 1, 16| Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden
2 1, 16| want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~
3 2, 13| 13 Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft,
4 2, 16| rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.~
5 4, 9 | Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een
6 4, 12| lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is.~
7 4, 15| nemen niet in overlegging, dat genade en barmhartigheid
8 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met zware
9 6, 9 | dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij wijsheid
10 6, 19| onverderfelijkheid maakt dat men nabij God is.~
11 7, 12| daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster
12 7, 25| daarom valt in haar niets dat besmet is.~
13 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht, maar
14 8, 3 | afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en
15 8, 9 | met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen
16 8, 17| en in mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid
17 8, 18| rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening
18 8, 18| omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer
19 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders niet machtig
20 8, 21| God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten
21 9, 3 | 3 En dat hij de wereld zou regeren
22 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige
23 9, 10| zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk
24 9, 17| heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en
25 10, 5 | voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige
26 10, 7 | boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en
27 10, 8 | niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen,
28 10, 12| gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger
29 10, 14| hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die
30 10, 15| 15 Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk
31 10, 15| heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost,
32 11, 7 | 7 Zulks dat in plaats van een fontein
33 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen
34 11, 17| Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt,
35 11, 25| hebt geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo
36 12, 10| tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en
37 12, 10| boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden
38 12, 13| opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig
39 12, 16| der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt
40 12, 16| over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.~
41 12, 17| sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en
42 12, 19| hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de
43 12, 23| 23 Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid
44 12, 24| der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij
45 12, 27| over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat
46 12, 27| dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden,
47 12, 27| werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die
48 13, 2 | 2 Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind,
49 13, 3 | deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel
50 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd zijn
51 13, 4 | over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel
52 13, 9 | zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen
53 13, 13| het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is,
54 13, 13| dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt
55 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine
56 13, 16| hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen,
57 13, 17| aan te spreken een ding dat zonder ziel is.~
58 13, 18| 18 En dat zwak is roept hij aan om
59 13, 18| gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en
60 13, 18| om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat
61 13, 18| dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~
62 14, 1 | die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip
63 14, 1 | verrotter is dan het schip dat hem voert.~
64 14, 2 | begeerte der winst heeft dat bedacht, en de kunstige
65 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen
66 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid
67 14, 8 | 8 Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve
68 14, 8 | het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk
69 14, 17| hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld,
70 14, 29| zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen
71 14, 30| rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben
72 14, 30| aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog
73 15, 2 | zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend
74 15, 5 | onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante
75 15, 9 | goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers
76 15, 9 | acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.~
77 15, 13| weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van
78 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden,
79 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle
80 16, 18| daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven
81 16, 22| opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de
82 16, 26| hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten
83 16, 26| vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen
84 16, 27| vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde
85 16, 28| 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen
86 17, 6 | zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden
87 17, 7 | lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs hunner
88 17, 16| Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, gevangen
89 17, 19| 19 Hetzij dan dat daar was een suizende wind,
90 18, 2 | En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar
91 18, 2 | leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt
92 18, 2 | en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden
93 18, 4 | Want zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd
94 18, 9 | Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen beide derzelver
95 18, 12| die te begraven, overmits dat hun edelste geslacht in
96 18, 13| eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen Gods waren.~
97 18, 15| het midden van het land, dat verdorven zou worden.~
98 18, 21| aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.~
99 19, 2 | ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten
100 19, 14| 14 En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden
101 19, 14| mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht
|