Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dankten 1
dapperheid 1
dartelheid 1
dat 101
datzelfde 1
datzelve 1
de 572
Frequency    [«  »]
156 zijn
141 in
121 niet
101 dat
89 door
85 maar
82 hij

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

dat

    Chapter, Verse
1 1, 16| Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden 2 1, 16| want zij zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~ 3 2, 13| 13 Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, 4 2, 16| rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.~ 5 4, 9 | Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een 6 4, 12| lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is.~ 7 4, 15| nemen niet in overlegging, dat genade en barmhartigheid 8 5, 2 | 2 En zij dat ziende, zullen met zware 9 6, 9 | dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat gij wijsheid 10 6, 19| onverderfelijkheid maakt dat men nabij God is.~ 11 7, 12| daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster 12 7, 25| daarom valt in haar niets dat besmet is.~ 13 7, 30| 30 Want na dat licht komt de nacht, maar 14 8, 3 | afkomst daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en 15 8, 9 | met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen 16 8, 17| en in mijn hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid 17 8, 18| rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening 18 8, 18| omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap harer 19 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders niet machtig 20 8, 21| God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten 21 9, 3 | 3 En dat hij de wereld zou regeren 22 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw heilige 23 9, 10| zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk 24 9, 17| heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en 25 10, 5 | voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige 26 10, 7 | boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en 27 10, 8 | niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, 28 10, 12| gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger 29 10, 14| hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die 30 10, 15| 15 Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk 31 10, 15| heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, 32 11, 7 | 7 Zulks dat in plaats van een fontein 33 11, 14| 14 Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen 34 11, 17| Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, 35 11, 25| hebt geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo 36 12, 10| tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en 37 12, 10| boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden 38 12, 13| opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig 39 12, 16| der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt 40 12, 16| over allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.~ 41 12, 17| sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en 42 12, 19| hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de 43 12, 23| 23 Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid 44 12, 24| der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij 45 12, 27| over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat 46 12, 27| dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, 47 12, 27| werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die 48 13, 2 | 2 Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, 49 13, 3 | deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel 50 13, 4 | 4 En is het dat zij zeer verwonderd zijn 51 13, 4 | over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel 52 13, 9 | zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen 53 13, 13| het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, 54 13, 13| dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt 55 13, 14| 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine 56 13, 16| hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, 57 13, 17| aan te spreken een ding dat zonder ziel is.~ 58 13, 18| 18 En dat zwak is roept hij aan om 59 13, 18| gezondheid, en bidt hetgeen dat dood is om het leven, en 60 13, 18| om het leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat 61 13, 18| dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~ 62 14, 1 | die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip 63 14, 1 | verrotter is dan het schip dat hem voert.~ 64 14, 2 | begeerte der winst heeft dat bedacht, en de kunstige 65 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen 66 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid 67 14, 8 | 8 Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve 68 14, 8 | het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk 69 14, 17| hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, 70 14, 29| zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen 71 14, 30| rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben 72 14, 30| aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog 73 15, 2 | zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de uwen gerekend 74 15, 5 | onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante 75 15, 9 | goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers 76 15, 9 | acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt.~ 77 15, 13| weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van 78 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, 79 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle 80 16, 18| daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven 81 16, 22| opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de 82 16, 26| hebt, Here, leren zouden, dat niet het gewas der vruchten 83 16, 26| vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen 84 16, 27| vuur niet verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde 85 16, 28| 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen 86 17, 6 | zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden 87 17, 7 | lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs hunner 88 17, 16| Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, gevangen 89 17, 19| 19 Hetzij dan dat daar was een suizende wind, 90 18, 2 | En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar 91 18, 2 | leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt 92 18, 2 | en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden 93 18, 4 | Want zij waren ook waardig, dat zij van het licht beroofd 94 18, 9 | Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen beide derzelver 95 18, 12| die te begraven, overmits dat hun edelste geslacht in 96 18, 13| eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen Gods waren.~ 97 18, 15| het midden van het land, dat verdorven zou worden.~ 98 18, 21| aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.~ 99 19, 2 | ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten 100 19, 14| 14 En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden 101 19, 14| mochten ook niet lijden dat iemand over hen opzicht


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License