Chapter, Verse
1 1, 16| 16 Maar de goddelozen hebben dat
2 2, 11| 11 Maar onze sterkte zij een wet
3 2, 21| Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun
4 2, 24| 24 Maar door des duivels nijdigheid
5 3, 1 | 1 MAAR de zielen der rechtvaardigen
6 3, 3 | te zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede.~
7 3, 10| 10 Maar de goddelozen zullen gestraft
8 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers
9 4, 3 | 3 Maar de vruchtbare menigte der
10 4, 7 | 7 Maar de rechtvaardige, indien
11 4, 9 | 9 Maar wijsheid is de mensen dat
12 4, 18| het zien en niets achten, maar de Here zal hen uitlachen.~
13 5, 7 | woeste omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben
14 5, 11| die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen
15 5, 14| geen teken der deugd tonen, maar zijn in onze boosheid verteerd
16 5, 15| voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is.~
17 5, 16| 16 Maar de rechtvaardigen leven
18 6, 6 | vergeven door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng
19 6, 8 | 8 Maar over de heersende zal een
20 6, 22| verborgenheden niet verbergen, maar zal haar van het begin harer
21 6, 24| 24 Maar de menigte der wijzen is
22 7, 6 | 6 Maar aller mensen ingang in het
23 7, 30| dat licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid
24 8, 16| smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.~
25 10, 8 | zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een
26 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite
27 10, 13| rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost;
28 10, 14| heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij
29 10, 19| 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken,
30 11, 11| Vader vermaand en beproefd, maar genen, scherp onderzocht
31 11, 20| had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen
32 11, 21| kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd
33 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle
34 11, 27| 27 Maar gij verschoont alle dingen,
35 12, 8 | 8 Maar ook dezen hebt gij als mensen
36 12, 10| 10 Maar gij straffende gaandeweg,
37 12, 15| 15 Maar daar gij rechtvaardig zijt,
38 12, 18| 18 Maar gij, heersende over de sterkte,
39 12, 19| 19 Maar door zulke werken hebt Gij
40 12, 22| zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid
41 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke
42 13, 2 | 2 Maar hebben gemeend, dat of het
43 13, 6 | 6 Maar nochtans is in deze de klacht
44 13, 10| 10 Maar het zijn ellendige mensen
45 14, 3 | 3 Maar uw voorzienigheid, o Vader,
46 14, 8 | 8 Maar dat met handen gemaakt is,
47 14, 8 | omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk
48 14, 22| kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote
49 14, 24| leven noch echtstaat rein; maar òf de een brengt de ander
50 14, 25| 25 Maar het is al onder elkander
51 14, 31| dergene bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die zondigen,
52 15, 1 | 1 MAAR gij onze God zijt goedertieren
53 15, 2 | zijn uw, wetende uw kracht, maar wij zullen niet zondigen,
54 15, 7 | stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt
55 15, 9 | 9 Maar hij is bezorgd, niet omdat
56 15, 9 | kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt
57 15, 12| 12 Maar zij achten ons leven een
58 15, 14| 14 Maar de vijanden uws volks, die
59 15, 17| 17 Maar sterfelijk zijnde maakt
60 15, 17| dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.~
61 15, 19| aanzien der andere dieren; maar zij zijn de lof Gods en
62 16, 3 | begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een kleine
63 16, 6 | niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine
64 16, 7 | hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.~
65 16, 10| 10 Maar uw kinderen zijn ook zelfs
66 16, 12| pleister heeft hen genezen, maar, Here, uw woord, hetwelk
67 16, 14| ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren
68 16, 18| goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien,
69 16, 21| tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen
70 16, 26| vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt
71 17, 4 | bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen,
72 17, 6 | 6 Maar alleen enig vanzelf brandend
73 17, 13| 13 Maar hoe minder de verwachting
74 17, 21| 21 Maar over hen alleen was een
75 18, 1 | 1 MAAR uw heiligen hadden een zeer
76 18, 1 | Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet,~
77 18, 2 | dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren
78 18, 16| raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde.~
79 18, 20| verbreking der menigte geschied, maar die toorn duurde niet lang.~
80 18, 22| door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij
81 19, 1 | 1 MAAR de toorn overviel de goddelozen
82 19, 5 | wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden.~
83 19, 13| die daar kwamen niet aan, maar genen dwongen tot dienstbaarheid
84 19, 14| 14 En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden
85 19, 16| 16 Maar zij werden ook met blindheid
|