Chapter, Verse
1 1, 4 | 4 Want wijsheid zal niet komen in een ziel,
2 1, 4 | kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam
3 1, 6 | menslievende geest, doch zal niet onschuldig houden degene,
4 1, 8 | 8 Daarom zal niemand voor hem kunnen
5 1, 8 | en de straffende wraak zal hem niet voorbijgaan.~
6 1, 9 | raadslagen der goddelozen zal onderzoek geschieden, en
7 1, 9 | het geluid zijner woorden zal voor de Here komen, tot
8 1, 11| want de verborgen rede zal niet ledig heengaan, en
9 2, 4 | mettertijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken,
10 2, 17| wat uitkomst hij hebben zal.~
11 2, 18| rechtvaardige een zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en
12 2, 18| hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand
13 2, 20| dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen
14 3, 1 | hand Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.~
15 3, 8 | volken heersen, en de Here zal als koning in eeuwigheid
16 3, 13| gekend in overtreding, zij zal de vrucht genieten in de
17 3, 14| gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren
18 3, 16| zaad van een onwettig bed zal verdwijnen.~
19 3, 17| worden, en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer
20 4, 3 | vruchtbare menigte der goddelozen zal geen voordeel doen, en wat
21 4, 3 | onechte scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch
22 4, 7 | hij vroeg komt te sterven, zal in de rust zijn.~
23 4, 18| niets achten, maar de Here zal hen uitlachen.~
24 4, 19| in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts
25 4, 19| zijn en hun gedachtenis zal vergaan.~
26 5, 1 | 1 DAN zal de rechtvaardige met grote
27 5, 17| want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met
28 5, 17| beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.~
29 5, 18| 18 Hij zal zijn ijver nemen tot een
30 5, 19| 19 Hij zal gerechtigheid aantrekken
31 5, 20| 20 Hij zal heiligheid nemen tot een
32 5, 21| 21 En zal de gestrenge toorn scherpen
33 5, 21| een zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de
34 5, 23| gramschap; het water der zee zal tegen hen zeer woeden, en
35 5, 24| 24 De Geest der kracht zal hen tegenstaan, en hen als
36 5, 24| uitwannen, en de ongerechtigheid zal de gehele aarde verwoesten,
37 5, 24| verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen
38 6, 3 | uw raadslagen doorzoeken zal.~
39 6, 5 | Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een
40 6, 5 | want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over
41 6, 7 | 7 Want de Here van allen zal de persoon niet ontzien,
42 6, 8 | 8 Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking
43 6, 14| vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite
44 6, 14| tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want
45 6, 14| moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden
46 6, 15| die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn.~
47 6, 22| en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal
48 6, 22| zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden niet
49 6, 22| verborgenheden niet verbergen, maar zal haar van het begin harer
50 6, 22| te voorschijn brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.~
51 6, 23| 23 En ik zal mij op de weg niet begeven
52 6, 23| uitterende nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap
53 6, 25| door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~
54 7, 30| nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen.~
55 8, 9 | leven, wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en
56 8, 9 | raden hetgeen goed is, en zal mij een vermaning zijn,
57 8, 10| 10 Ik zal door haar heerlijkheid hebben
58 8, 11| 11 Ik zal scherpzinnig gevonden worden
59 8, 11| het gezicht der machtigen zal ik een verwondering zijn.~
60 8, 12| 12 Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij
61 8, 12| op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen zij opmerken,
62 8, 13| 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid
63 8, 13| onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige gedachtenis
64 8, 14| 14 Ik zal volken regeren, en natiën
65 8, 15| vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen,
66 8, 15| als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.~
67 9, 6 | mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden,
68 9, 11| dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in
69 9, 12| zullen aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig richten,
70 9, 12| rechtvaardig richten, en zal waardig zijn de troon mijns
71 12, 12| 12 Want wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan?
72 12, 12| hebt gij gedaan? of wie zal zich stellen tegen uw oordeel?
73 12, 12| tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de
74 12, 12| gij gemaakt hebt? of wie zal zich tegen u kunnen stellen
75 12, 14| Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen gaan,
76 14, 10| 10 En daarom zal hetgeen gemaakt is, met
77 15, 7 | waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover
78 15, 8 | tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij genomen is,
79 15, 8 | wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~
80 15, 9 | bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een
81 16, 29| de hoop des ondankbaren zal versmelten als een rijm
82 16, 29| die des winters valt, en zal wegvloeien gelijk onnut
|