Chapter, Verse
1 1, 14| alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen der
2 2, 9 | van ons zij zonder deel te hebben aan onze vermetelheid;
3 2, 15| bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is
4 2, 18| Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen
5 2, 22| loon der heiligheid niet te hopen, en achten de eer
6 3, 2 | schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun uitgang
7 3, 3 | afscheiden van ons schijnt hun te zijn een vernieling, maar
8 3, 18| 18 Indien zij haast komen te sterven, zo zullen zij geen
9 4, 1 | BETER is het onder kinderen te zijn, en deugd te hebben,
10 4, 1 | kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid
11 4, 7 | rechtvaardige, indien hij vroeg komt te sterven, zal in de rust
12 4, 14| midden der boosheid weg te nemen.~
13 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid,
14 6, 13| begeren, om tevoren gekend te worden.~
15 6, 15| 15 Want aan haar te gedenken is de volkomenheid
16 6, 17| bezorging van onderwezen te worden is liefde,~
17 6, 22| naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal
18 7, 9 | is als slijk tegen haar te rekenen.~
19 7, 10| en heb haar verkoren om te hebben tot een licht; want
20 7, 15| mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen
21 7, 15| mijn mening te zeggen, en te bedenken hetgeen waardig
22 7, 15| bedenken hetgeen waardig te de dingen, die mij gegeven
23 7, 17| der dingen die zijn, om te weten de gestalte der wereld,
24 8, 2 | en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en
25 8, 9 | dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven,
26 8, 9 | mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij
27 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt geen verdriet,
28 8, 16| verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.~
29 8, 21| en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade
30 10, 2 | en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen.~
31 11, 7 | gebods de kleine kinderen te doden.~
32 11, 18| geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren,
33 12, 8 | wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.~
34 12, 9 | rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke
35 12, 9 | streng woord tot één toe hen te verdoen.~
36 12, 15| rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen
37 12, 15| vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen degene, die
38 12, 15| schuldig is om gestraft te worden.~
39 12, 27| eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste
40 13, 1 | zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch
41 13, 8 | wederom is het ook deze niet te vergeven.~
42 13, 9 | hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen
43 13, 10| hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken der
44 13, 12| van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.~
45 13, 17| schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder
46 14, 1 | die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde
47 14, 1 | voorheeft de wilde baren te doorreizen, die roept aan
48 14, 15| godsdienstigheden en offeranden te plegen.~
49 14, 17| tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre woonden,
50 14, 19| gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~
51 14, 22| omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende
52 14, 27| die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel,
53 15, 9 | nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen
54 15, 15| niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten
55 15, 15| hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om
56 15, 15| trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers hunner
57 15, 15| hunner handen om iets aan te tasten, en welker voeten
58 15, 15| voeten lui zijn om voort te gaan.~
59 15, 19| schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien der
60 16, 2 | de lust van hun begeerte te verzadigen.~
61 16, 6 | teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod
62 16, 9 | waren van zulke geplaagd te worden.~
63 16, 11| met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden,
64 16, 15| Het is onmogelijk uw hand te ontvlieden.~
65 16, 16| goddelozen weigerende u te kennen, zijn door uw sterke
66 16, 17| hetwelk op het hoogste te verwonderen is) het vuur
67 16, 20| vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame
68 16, 28| zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen
69 17, 1 | oordelen zijn groot en zwaar om te verhalen; daarom zijn de
70 17, 2 | heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden van
71 17, 3 | 3 Want menende te schuilen in hun heimelijke
72 17, 5 | kracht des vuurs vermocht hen te lichten, en de glinsterende
73 17, 8 | de schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden
74 17, 10| 10 En weigerende de lucht te aanschouwen, die toch nergens
75 18, 5 | kleine kinderen der heiligen te doden, en een kind van die
76 18, 12| zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits dat hun
77 18, 19| niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel
78 19, 2 | zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast
79 19, 18| en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde.~
80 19, 21| het niet onwaardig gekeurd te allen tijde en in alle plaatsen
81 19, 21| en in alle plaatsen bij te staan.~
|