Chapter, Verse
1 1, 4 | niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en
2 1, 6 | onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want
3 1, 16| de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot
4 1, 16| hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen,
5 2, 1 | 1 WANT deze dingen met recht overlegd hebbende,
6 2, 7 | 7 Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf,
7 2, 8 | 8 Laat ons ons kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.~
8 2, 19| 19 Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken,
9 3, 14| is zalig die geen onrecht met zijn hand gewrocht, noch
10 4, 8 | veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten
11 5, 1 | DAN zal de rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan
12 5, 2 | En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden,
13 5, 8 | wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?~
14 5, 17| de hand des Heren, want met zijn rechterhand zal hij
15 5, 17| zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten.~
16 5, 21| zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen.~
17 6, 16| vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.~
18 6, 23| mij op de weg niet begeven met de uitterende nijdigheid,
19 6, 23| nijdigheid, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap
20 7, 2 | wellust die daarbij komt met de slaap.~
21 7, 3 | die gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn
22 7, 4 | windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~
23 7, 8 | ik niets in vergelijking met haar.~
24 7, 11| allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom
25 8, 3 | daarmede heerlijk dat zij met God verkeert, en de Here
26 8, 9 | ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat
27 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt
28 8, 16| geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde
29 8, 18| gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook
30 9, 10| mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag
31 9, 16| dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij hetgeen
32 10, 3 | toorn, is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot
33 10, 4 | als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was,
34 10, 13| zonde verlost; zij voer met hem af in de put.~
35 10, 16| wederstond de vreselijke koningen met wonderen en tekenen.~
36 11, 13| beving hen en een zuchten, met de gedachtenis der dingen
37 12, 6 | land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze
38 12, 9 | door vreselijke dienren, of met een streng woord tot één
39 12, 18| over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert
40 12, 18| bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij
41 12, 20| des doods schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft
42 12, 21| 21 Met hoe grote naarstigheid oordeelt
43 12, 21| oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen gij eden
44 13, 7 | 7 Want met zijn werken omgaande, onderzoeken
45 13, 13| ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt
46 13, 14| gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel,
47 13, 15| de muur en maakt het vast met ijzer,~
48 13, 19| werk, en om hetgeen men met de handen verkrijgt, en
49 13, 19| uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan.~ ~ ~
50 14, 8 | 8 Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve
51 14, 10| zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt
52 14, 17| die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien
53 14, 30| en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid
54 15, 4 | gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.~
55 15, 7 | pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk
56 15, 8 | Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij
57 15, 9 | omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden,
58 15, 17| zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen;
59 16, 11| 11 Want zij werden als met prikkelen gestoken om te
60 16, 20| hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid
61 17, 4 | gedruis en droevige spokerijen met afschuwelijke aangezichten
62 17, 18| 18 Want zij waren allen met een keten der duisternis
63 17, 19| het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een
64 17, 20| de gehele wereld lichtte met helder klaar licht, en was
65 17, 20| klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd
66 18, 2 | smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.~
67 18, 9 | ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen
68 18, 11| 11 En de knecht met de heer werden met gelijke
69 18, 11| knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd,
70 18, 11| en de gemene man moest met de koning hetzelfde lijden.~
71 18, 16| staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan
72 18, 22| de eden, en de verbonden met de vaderen opgericht.~
73 18, 23| Want als nu reeds de doden met hopen over elkander gevallen
74 19, 2 | toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende,
75 19, 3 | dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten,
76 19, 8 | al het volk overging, die met uw hand beschermd werden,
77 19, 15| 15 En zij plaagden met zware arbeid degenen, welke
78 19, 15| arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen hadden,
79 19, 16| 16 Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs
80 19, 16| rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven
|