Chapter, Verse
1 2, 21| maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.~
2 3, 2 | der dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling
3 3, 3 | 3 En hun afscheiden van ons schijnt
4 3, 3 | afscheiden van ons schijnt hun te zijn een vernieling,
5 3, 4 | gepijnigd worden, zo is nochtans hun hoop vol onsterfelijkheid.~
6 3, 7 | 7 Ten tijde van hun bezoeking zullen zij blinken,
7 3, 11| wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten
8 3, 11| en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs,
9 3, 11| moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut.~
10 3, 12| 12 Hun vrouwen zijn dwaas, en hun
11 3, 12| Hun vrouwen zijn dwaas, en hun kinderen boos.~
12 3, 13| 13 Hun geslacht is vervloekt, daarom
13 3, 17| niets geacht worden, en hun ouderdom zal op het laatste
14 4, 5 | rondom gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp
15 4, 6 | getuigen der boosheid tegen hun ouders, wanneer men hen
16 4, 19| zullen in angst zijn en hun gedachtenis zal vergaan.~
17 4, 20| komen, bevreesd zijnde; en hun onrechtvaardige daden zullen
18 5, 16| leven in der eeuwigheid, en hun loon is bij de Here, en
19 6, 16| de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet
20 8, 12| spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen.~
21 10, 8 | een gedachtenis na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij
22 10, 17| loon der heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid
23 10, 17| een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel
24 10, 19| 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken,
25 11, 3 | beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden.~
26 11, 4 | dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een
27 11, 5 | 5 Want waardoor hun vijanden waren geplaagd
28 11, 6 | 6 Daardoor werd hun welgedaan, als zij gebrek
29 11, 8 | overvloedig water boven hun verwachting.~
30 11, 14| zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten,
31 11, 16| beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige
32 11, 20| kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook
33 12, 2 | vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin
34 12, 6 | land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze
35 12, 10| straffende gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende
36 12, 10| bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun
37 12, 10| hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren,
38 12, 10| boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten
39 12, 10| boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen
40 12, 11| iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin
41 12, 23| onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd
42 12, 24| zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren,
43 13, 3 | 3 Indien zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende,
44 13, 4 | verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij
45 13, 5 | schoonheid der schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester
46 13, 10| zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te
47 14, 5 | vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering
48 14, 12| beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving
49 14, 14| wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden.~
50 14, 17| verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van
51 14, 23| 23 Want zij, of zij hun offeranden waarin zij hun
52 14, 23| hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen
53 15, 15| heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken
54 15, 15| gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te
55 16, 2 | toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen.~
56 16, 4 | alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden.~
57 16, 9 | geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij
58 16, 20| de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei
59 17, 2 | onderwonden het heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden
60 17, 3 | Want menende te schuilen in hun heimelijke zonden, onder
61 17, 4 | aangezichten verschenen hun.~
62 17, 6 | vuur vol vrees verscheen hun, en vervaard zijnde voor
63 17, 7 | hunner pocherij vanwege hun, kloekheid.~
64 17, 15| onverwachte vrees overkwam hun.~
65 18, 1 | wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet,~
66 18, 2 | tevoren verongelijkt zijnde, hun nochtans geen schade deden,
67 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige kolom,
68 18, 3 | hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg.~
69 18, 12| te begraven, overmits dat hun edelste geslacht in een
70 18, 17| onverwachte vrees overkwam hun.~
71 18, 19| die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt,
72 19, 2 | God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij
73 19, 4 | vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat
74 19, 4 | zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.~
75 19, 10| geschied waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de
76 19, 12| 12 Want tot hun troost kwamen kwakkelen
77 19, 13| leden rechtvaardig voor hun eigen boosheden, dewijl
78 19, 13| dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun weldaden bewezen hadden.~
79 19, 15| reeds medegenoten waren van hun rechten.~
80 19, 17| veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, hetwelk men afleiden
|