Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
gezondheid 2
gezongen 1
gierigheid 1
gij 76
ginds 1
ging 3
gingen 1
Frequency    [«  »]
81 te
80 hun
80 met
76 gij
75 heeft
72 hen
71 tot

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

gij

   Chapter, Verse
1 1, 1 | HEBT de gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt 2 6, 1 | 1 HOORT dan gij koningen en verstaat; leert 3 6, 1 | koningen en verstaat; leert gij rechters van de einden der 4 6, 2 | dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, 5 6, 4 | 4 Omdat gij dienaars zijnde van zijn 6 6, 9 | het dat ik spreek, opdat gij wijsheid leren zoudt en 7 6, 11| woorden, verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen worden.~ 8 6, 21| 21 Indien gij dan behagen hebt, gij koningen 9 6, 21| Indien gij dan behagen hebt, gij koningen der volken, in 10 6, 21| eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen moogt 11 9, 7 | 7 Gij hebt mij verkoren tot een 12 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een 13 9, 8 | heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne 14 9, 9 | en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat 15 9, 17| raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw 16 11, 9 | die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd 17 11, 11| 11 Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand 18 11, 11| onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.~ 19 11, 16| verachtelijke beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige 20 11, 21| als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd 21 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle mensen, 22 11, 24| over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet 23 11, 24| overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, 24 11, 25| 25 Want gij hebt alles lief wat daar 25 11, 25| geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij 26 11, 25| gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt 27 11, 25| zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid 28 11, 26| er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden 29 11, 27| 27 Maar gij verschoont alle dingen, 30 11, 27| zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber der zielen.~ 31 12, 2 | 2 Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, 32 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars 33 12, 6 | zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de 34 12, 8 | 8 Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en 35 12, 9 | 9 Gij waart niet onmachtig om 36 12, 10| 10 Maar gij straffende gaandeweg, gaaft 37 12, 11| noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen 38 12, 12| wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich 39 12, 12| die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal 40 12, 13| Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt, 41 12, 13| alle dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet 42 12, 13| opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt 43 12, 14| gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.~ 44 12, 15| 15 Maar daar gij rechtvaardig zijt, regeert 45 12, 15| rechtvaardig zijt, regeert gij alle dingen rechtvaardig, 46 12, 16| rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt 47 12, 16| allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.~ 48 12, 17| 17 Want gij betoont sterkte, als men 49 12, 18| 18 Maar gij, heersende over de sterkte, 50 12, 18| is het vermogen wanneer gij wilt.~ 51 12, 19| Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de 52 12, 19| goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.~ 53 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer kinderen, 54 12, 21| grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker 55 12, 21| kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede 56 12, 22| dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend 57 12, 23| Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid 58 12, 25| 25 Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting 59 14, 3 | Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een 60 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen 61 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken 62 15, 1 | 1 MAAR gij onze God zijt goedertieren 63 15, 1 | in barmhartigheid regeert gij alle dingen.~ 64 16, 2 | van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid 65 16, 2 | weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een 66 16, 8 | 8 En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan, 67 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad 68 16, 13| 13 Want gij hebt macht over leven en 69 16, 13| over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten 70 16, 20| 20 Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs 71 16, 26| Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden, 72 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige 73 18, 5 | uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte 74 18, 8 | 8 Want gelijk gij de tegenpartijen hebt gestraft, 75 18, 8 | tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen 76 19, 21| Want, Here, in allen hebt gij uw volk groot en heerlijk


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License