Chapter, Verse
1 1, 1 | HEBT de gerechtigheid lief, gij, die de aarde richt; hebt
2 6, 1 | 1 HOORT dan gij koningen en verstaat; leert
3 6, 1 | koningen en verstaat; leert gij rechters van de einden der
4 6, 2 | dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst,
5 6, 4 | 4 Omdat gij dienaars zijnde van zijn
6 6, 9 | het dat ik spreek, opdat gij wijsheid leren zoudt en
7 6, 11| woorden, verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen worden.~
8 6, 21| 21 Indien gij dan behagen hebt, gij koningen
9 6, 21| Indien gij dan behagen hebt, gij koningen der volken, in
10 6, 21| eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen moogt
11 9, 7 | 7 Gij hebt mij verkoren tot een
12 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een
13 9, 8 | heiilge tabernakel, welke gij tevoren van den beginne
14 9, 9 | en tegenwoordig was, toen gij de wereld maakte, en verstaat
15 9, 17| raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven, en uw
16 11, 9 | die zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd
17 11, 11| 11 Want dezen hebt gij wel als een Vader vermaand
18 11, 11| onderzocht hebbende, hebt gij als een streng koning veroordeeld.~
19 11, 16| verachtelijke beesten eerden, hebt gij hun een menigte der onvernuftige
20 11, 21| als door een wan, maar gij hebt alle dingen geordineerd
21 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle mensen,
22 11, 24| over alle mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet
23 11, 24| overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen,
24 11, 25| 25 Want gij hebt alles lief wat daar
25 11, 25| geen gruwel aan iets dat gij gemaakt hebt, want zo gij
26 11, 25| gij gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt
27 11, 25| zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt het niet toebereid
28 11, 26| er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden
29 11, 27| 27 Maar gij verschoont alle dingen,
30 11, 27| zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber der zielen.~
31 12, 2 | 2 Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen,
32 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars
33 12, 6 | zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de
34 12, 8 | 8 Maar ook dezen hebt gij als mensen verschoond, en
35 12, 9 | 9 Gij waart niet onmachtig om
36 12, 10| 10 Maar gij straffende gaandeweg, gaaft
37 12, 11| noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen
38 12, 12| wie zal zeggen: Wat hebt gij gedaan? of wie zal zich
39 12, 12| die verloren zijn, welke gij gemaakt hebt? of wie zal
40 12, 13| Want daar is geen God dan gij die voor alle dingen zorgt,
41 12, 13| alle dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet
42 12, 13| opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig hebt
43 12, 14| gaan, vanwege degenen, die gij gestraft hebt.~
44 12, 15| 15 Maar daar gij rechtvaardig zijt, regeert
45 12, 15| rechtvaardig zijt, regeert gij alle dingen rechtvaardig,
46 12, 16| rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt
47 12, 16| allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.~
48 12, 17| 17 Want gij betoont sterkte, als men
49 12, 18| 18 Maar gij, heersende over de sterkte,
50 12, 18| is het vermogen wanneer gij wilt.~
51 12, 19| Maar door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de
52 12, 19| goede hoop gegeven, omdat gij op de zonden bekering geeft.~
53 12, 20| 20 Want indien gij de vijanden uwer kinderen,
54 12, 21| grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker
55 12, 21| kinderen, met welker vaderen gij eden en verbonden van goede
56 12, 22| dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend
57 12, 23| Vanwaar het ook komt, dat gij degenen die in dwaasheid
58 12, 25| 25 Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting
59 14, 3 | Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een
60 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen
61 14, 5 | 5 Gij wilt niet dat de werken
62 15, 1 | 1 MAAR gij onze God zijt goedertieren
63 15, 1 | in barmhartigheid regeert gij alle dingen.~
64 16, 2 | van zulk een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid
65 16, 2 | weldadigheid bewezen, hetwelk gij een vreemde smaak, tot een
66 16, 8 | 8 En ook daarmee hebt gij onze vijanden doen verstaan,
67 16, 8 | vijanden doen verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad
68 16, 13| 13 Want gij hebt macht over leven en
69 16, 13| over leven en over dood, gij leidt af tot de poorten
70 16, 20| 20 Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs
71 16, 26| Opdat uw kinderen, welke gij lief hebt, Here, leren zouden,
72 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige
73 18, 5 | uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte
74 18, 8 | 8 Want gelijk gij de tegenpartijen hebt gestraft,
75 18, 8 | tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen
76 19, 21| Want, Here, in allen hebt gij uw volk groot en heerlijk
|