Chapter, Verse
1 1, 7 | hetgeen alles tezamen houdt heeft kennis der stem.~
2 1, 13| 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, en
3 1, 13| de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak aan het verderf
4 1, 14| 14 Want hij heeft alle dingen geschapen om
5 2, 13| voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind
6 2, 21| gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind.~
7 2, 23| 23 Want God heeft de mens geschapen tot onverderfelijkheid,
8 2, 23| tot onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van
9 3, 5 | genieten, omdat God hen heeft beproefd, en hen zijns waardig
10 3, 5 | beproefd, en hen zijns waardig heeft bevonden.~
11 3, 6 | 6 Hij heeft hen beproefd gelijk goud
12 3, 13| onbevlekt is, welke het bed niet heeft gekend in overtreding, zij
13 3, 14| dingen tegen de Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden
14 4, 2 | onbevlekt zijn, gewonnen heeft.~
15 4, 10| 10 Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; en
16 4, 13| volmaakt geworden zijnde, heeft hij lange tijden vervuld.~
17 4, 14| de Here aangenaam, daarom heeft hij gehaast hem uit het
18 4, 17| waartoe hem de Here verzekerd heeft.~
19 5, 6 | licht der gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de
20 5, 8 | 8 Wat heeft ons de hovaardij gebaat?
21 5, 8 | hovaardij gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen
22 6, 7 | grootte niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten gemaakt,
23 7, 1 | de aarde zijn oorsprong heeft.~
24 7, 3 | gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem
25 7, 5 | 5 Want geen koning heeft een ander begin gehad zijner
26 7, 15| 15 En God heeft mij gegeven mijn mening
27 7, 17| 17 Want hij heeft mij gegeven ware kennis
28 7, 21| dingen een kunstenares is, heeft ze mij geleerd.~
29 8, 3 | en de Here aller dingen heeft haar lief.~
30 9, 16| hetgeen onder handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in
31 9, 17| 17 En wie heeft uw raad gekend? tenzij dat
32 10, 1 | 1 DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde
33 10, 2 | 2 En heeft hem getrokken uit zijn eigen
34 10, 4 | watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weder behouden,
35 10, 5 | elkander verward waren, heeft de rechtvaardige gekend,
36 10, 6 | de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost,
37 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen
38 10, 10| toorn zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods
39 10, 10| heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt
40 10, 12| en in die sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning
41 10, 13| 13 Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige
42 10, 13| rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost;
43 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar
44 10, 14| wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars
45 10, 14| hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid
46 10, 15| 15 Deze heeft dat heilige volk, en dat
47 10, 17| 17 Zij heeft de heiligen gegeven loon
48 10, 17| heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke
49 10, 18| 18 Zij heeft hen doen gaan door de Rode
50 10, 18| gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel
51 10, 19| zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de
52 11, 1 | 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig
53 11, 18| gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een
54 13, 3 | beginner der schoonheid heeft deze dingen geschapen.~
55 13, 4 | hij is, die deze toebereid heeft.~
56 13, 16| want het is een beeld, en heeft hulp nodig.~
57 14, 2 | Want de begeerte der winst heeft dat bedacht, en de kunstige
58 14, 2 | en de kunstige wijsheid heeft het toebereid.~
59 14, 8 | ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt
60 14, 8 | deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk
61 14, 10| degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden.~
62 14, 18| eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven
63 14, 19| willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door
64 15, 4 | 4 Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking
65 15, 9 | hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd
66 15, 11| niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen
67 15, 11| een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en
68 15, 11| hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.~
69 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem
70 15, 16| de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want
71 15, 16| leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens
72 15, 17| god eert, dewijl hij leven heeft, maar zij hadden het nooit.~
73 16, 12| noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Here,
74 16, 23| 23 Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht
75 18, 20| 20 Ook heeft eenmaal de aanvechting des
|