Chapter, Verse
1 1, 5 | onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid
2 2, 21| want hun boosheid heeft hen verblind.~
3 3, 1 | Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.~
4 3, 5 | weldaden genieten, omdat God hen heeft beproefd, en hen zijns
5 3, 5 | God hen heeft beproefd, en hen zijns waardig heeft bevonden.~
6 3, 6 | 6 Hij heeft hen beproefd gelijk goud in
7 3, 6 | goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.~
8 3, 8 | koning in eeuwigheid over hen regeren.~
9 4, 6 | hun ouders, wanneer men hen ondervraagt.~
10 4, 18| achten, maar de Here zal hen uitlachen.~
11 4, 19| eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts
12 4, 19| overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en
13 4, 20| onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen overtuigen.~
14 4, 20| zullen tegen hen staan, en hen overtuigen.~
15 5, 16| Allerhoogste zorgt voor hen.~
16 5, 17| zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn
17 5, 17| en met zijn arm zal hij hen beschutten.~
18 5, 23| water der zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen
19 5, 24| De Geest der kracht zal hen tegenstaan, en hen als een
20 5, 24| kracht zal hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen,
21 6, 16| vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.~
22 10, 17| voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke
23 10, 18| 18 Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee,
24 10, 18| door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water.~
25 10, 19| deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte
26 11, 3 | stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden
27 11, 13| een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de gedachtenis
28 11, 18| had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van
29 11, 20| beschadiging niet alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen,
30 11, 20| maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen.~
31 12, 2 | die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin
32 12, 8 | voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen,
33 12, 8 | heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.~
34 12, 9 | streng woord tot één toe hen te verdoen.~
35 12, 16| allen heerst, maakt dat gij hen allen verschoont.~
36 12, 25| tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen
37 12, 27| uiterste verdoemenis over hen gekomen is.~
38 14, 17| konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij verre
39 14, 17| aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben
40 15, 6 | hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen begeren,
41 15, 6 | zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren.~
42 15, 6 | die hen begeren, en die hen eren.~
43 15, 16| 16 Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem
44 15, 16| ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan
45 16, 3 | plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen ook
46 16, 3 | over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte
47 16, 5 | grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de beten
48 16, 6 | teken der behoudenis, om hen te doen gedenken aan het
49 16, 10| want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.~
50 16, 10| kwam hen tegemoet, en genas hen.~
51 16, 12| kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Here, uw
52 16, 24| onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid
53 17, 4 | waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar
54 17, 4 | maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen
55 17, 5 | kracht des vuurs vermocht hen te lichten, en de glinsterende
56 17, 9 | 9 Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd
57 17, 19| tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.~
58 17, 21| 21 Maar over hen alleen was een zware nacht
59 18, 2 | niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt
60 18, 2 | smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.~
61 18, 3 | vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg der onbekende
62 18, 3 | onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun
63 18, 5 | kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig
64 18, 17| 17 Toen ontroerden hen terstond zeer de inbeeldingen
65 18, 19| 19 Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit
66 18, 21| kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van
67 19, 2 | toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken
68 19, 2 | berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.~
69 19, 4 | zij waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht
70 19, 4 | tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid der
71 19, 9 | lammeren, prijzende u Here, die hen verlost had.~
72 19, 14| niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij de
|