Chapter, Verse
1 1, 9 | zal voor de Here komen, tot bestraffing zijner misdaden.~
2 1, 16| met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende
3 1, 16| zijn waardig, dat zij het tot een deel hebben.~
4 2, 1 | overlegd hebbende, zeggen zij tot elkander: Ons leven is kort
5 2, 3 | zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid
6 2, 14| 14 Hij is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.~
7 2, 20| 20 Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen,
8 2, 23| heeft de mens geschapen tot onverderfelijkheid, en heeft
9 4, 5 | vrucht is onnut, onrijp tot spijs, en tot niets geschikt.~
10 4, 5 | onnut, onrijp tot spijs, en tot niets geschikt.~
11 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke val zijn,
12 4, 19| schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden
13 4, 19| grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest
14 5, 18| Hij zal zijn ijver nemen tot een gehele wapenrusting,
15 5, 18| zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden.~
16 5, 19| gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een
17 5, 19| ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm.~
18 5, 20| Hij zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild,~
19 5, 21| gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld
20 6, 2 | 2 Laat dit tot uw oren ingaan, gij die
21 6, 9 | 9 Tot ulieden dan, o koningen,
22 6, 14| 14 Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal
23 6, 20| begeerte der wijsheid brengt tot het koninkrijk.~
24 7, 2 | het lichaam mijner moeder tot vlees gebeeld in tien maanden
25 7, 7 | geest der wijsheid kwam tot mij.~
26 7, 10| haar verkoren om te hebben tot een licht; want de glans
27 7, 11| 11 En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare
28 7, 27| dingen, en van geslacht tot geslacht, in de heilige
29 8, 1 | reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert
30 8, 2 | gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden
31 8, 9 | Zo heb Ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij
32 8, 18| omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.~
33 8, 21| genade komt) zo ging ik tot de Here, en bad hem, en
34 9, 7 | 7 Gij hebt mij verkoren tot een koning over uw volk,
35 9, 7 | koning over uw volk, en tot een rechter over uw zonen
36 10, 3 | met de toornige bewegingen tot zijns broeders moord.~
37 10, 7 | en de zoutpilaar staande tot gedachtenis van de ongelovige
38 10, 17| weg, en is hun geworden tot een deksel des daags, en
39 10, 17| des daags, en des nachts tot een vlam der sterren.~
40 11, 7 | zijn ontroerd geworden, tot overtuiging des gebods de
41 11, 16| der onvernuftige dieren tot wraak toegezonden.~
42 12, 9 | of met een streng woord tot één toe hen te verdoen.~
43 12, 10| gaandeweg, gaaft hun tijd tot bekering, wel wetende dat
44 12, 25| Daarom hebt gij het oordeel tot een bespotting over hen
45 13, 11| toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst des levens:~
46 14, 6 | der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld
47 14, 11| onder de schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn,
48 14, 11| en de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten
49 14, 11| en de voeten der onwijzen tot een strik.~
50 14, 18| de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst
51 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest voor het
52 15, 5 | verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood
53 15, 7 | moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde
54 15, 7 | leem maakt hij vaten die tot reine werken dienstig zijn,
55 15, 7 | en desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en
56 16, 2 | hetwelk gij een vreemde smaak, tot een spijs, namelijk kwakkelen
57 16, 3 | 3 Opdat genen, die tot spijs lust hadden, vanwege
58 16, 6 | Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij
59 16, 6 | een kleine tijd ontroerd tot vermaning, hebbende een
60 16, 13| over dood, gij leidt af tot de poorten der hel en leidt
61 16, 21| openbaar, maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe
62 16, 21| kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.~
63 16, 24| strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen,
64 16, 24| onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen
65 18, 5 | behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte hunner
66 18, 8 | zo hebt gij ons daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.~
67 18, 23| toorn af en sneed de weg af tot de levenden.~
68 19, 1 | goddelozen zonder ontferming tot aan het einde.~
69 19, 4 | waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen
70 19, 12| 12 Want tot hun troost kwamen kwakkelen
71 19, 13| aan, maar genen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen,
|