Chapter, Verse
1 1, 11| murmurering en onthoudt uw tong van achterklappen,
2 6, 2 | 2 Laat dit tot uw oren ingaan, gij die over
3 6, 3 | de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen,
4 6, 3 | werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal.~
5 9, 1 | dingen gemaakt hebt door uw woord,~
6 9, 2 | 2 En de mens door uw wijsheid hebt bereid, opdat
7 9, 4 | mij de wijsheid, die bij uw tronen zit, en verwerp mij
8 9, 4 | en verwerp mij niet uit uw kinderen.~
9 9, 5 | 5 Want ik ben uw dienstknecht en een zoon
10 9, 7 | verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter
11 9, 7 | en tot een rechter over uw zonen en dochteren.~
12 9, 8 | gezegd, dat ik een tempel op uw heilige berg zou bouwen,
13 9, 9 | Bij u is de wijsheid, die uw werken weet, en tegenwoordig
14 9, 9 | verstaat wat aangenaam is in uw ogen, en wat recht is in
15 9, 9 | ogen, en wat recht is in uw geboden.~
16 9, 10| 10 Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend
17 9, 12| aangenaam zijn, en ik zal uw volk rechtvaardig richten,
18 9, 17| 17 En wie heeft uw raad gekend? tenzij dat
19 9, 17| gij wijsheid gegeven, en uw Heilige Geest gezonden hebt
20 10, 20| beroofd, en hebben, Here, uw heilige naam lof gezongen
21 11, 18| 18 Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die
22 11, 22| en wie kan de kracht van uw arm tegenstaan?~
23 12, 1 | 1 WANT uw onverderfelijke Geest is
24 12, 3 | hatende de oude inwoners van uw heilig land,~
25 12, 6 | bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders,
26 12, 8 | en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden,
27 12, 12| wie zal zich stellen tegen uw oordeel? en wie zal u beschuldigen
28 12, 15| acht het vreemd te zijn van uw macht, te veroordelen degene,
29 12, 16| 16 Want uw sterkte is het beginsel
30 12, 17| als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, en wederlegt
31 12, 19| door zulke werken hebt Gij uw volk geleerd, dat de rechtvaardige
32 12, 19| lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen goede hoop gegeven,
33 12, 21| naarstigheid oordeelt gij uw kinderen, met welker vaderen
34 12, 22| meer, opdat wij oordelende, uw goedheid zorgvuldig zouden
35 14, 3 | 3 Maar uw voorzienigheid, o Vader,
36 14, 6 | na, zijnde bestuurd door uw hand.~
37 15, 2 | zo wij zondigen; wij zijn uw, wetende uw kracht, maar
38 15, 2 | zondigen; wij zijn uw, wetende uw kracht, maar wij zullen
39 15, 3 | volkomen gerechtigheid, en uw kracht weten, is een wortel
40 16, 2 | een plaag, hebt gij aan uw volk weldadigheid bewezen,
41 16, 6 | 6 Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde,
42 16, 6 | gedenken aan het gebod van uw wet.~
43 16, 10| 10 Maar uw kinderen zijn ook zelfs
44 16, 10| draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen
45 16, 11| gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld,
46 16, 11| kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.~
47 16, 12| hen genezen, maar, Here, uw woord, hetwelk alle dingen
48 16, 15| 15 Het is onmogelijk uw hand te ontvlieden.~
49 16, 16| weigerende u te kennen, zijn door uw sterke arm gegeseld geworden,
50 16, 20| 20 Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs
51 16, 21| 21 Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid
52 16, 21| deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen
53 16, 21| maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar
54 16, 25| veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar de
55 16, 26| 26 Opdat uw kinderen, welke gij lief
56 16, 26| de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen
57 17, 1 | 1 WANT uw oordelen zijn groot en zwaar
58 18, 1 | 1 MAAR uw heiligen hadden een zeer
59 18, 4 | gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk ingesloten
60 18, 7 | 7 En van uw volk is verkregen de verlossing
61 18, 15| 15 Toen daalde uw alvermogend woord van de
62 18, 16| scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande
63 18, 21| jammer, betonende dat hij uw dienstknecht was.~
64 18, 24| der stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed
65 19, 5 | 5 En opdat uw volk een zeer wonderlijke
66 19, 6 | nieuws herschapen, dienende uw bijzondere geboden; en opdat
67 19, 6 | bijzondere geboden; en opdat uw kinderen zouden onbeschadigd
68 19, 8 | het volk overging, die met uw hand beschermd werden, en
69 19, 21| Here, in allen hebt gij uw volk groot en heerlijk gemaakt
|