Chapter, Verse
1 1, 1 | een goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des harten.~
2 1, 2 | gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt
3 1, 2 | en verschijnt die, die hem niet wantrouwen.~
4 1, 8 | Daarom zal niemand voor hem kunnen schuilen die spreekt
5 1, 8 | de straffende wraak zal hem niet voorbijgaan.~
6 1, 10| knorren des murmurerens hem niet verborgen is.~
7 2, 16| 16 Wij worden van hem geacht als vals zilver,
8 2, 18| zoon Gods is, zo zal hij hem te hulp komen, en zal hem
9 2, 18| hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand dergenen
10 2, 18| uit de hand dergenen die hem tegenstaan.~
11 2, 19| 19 Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken,
12 2, 20| 20 Laat ons hem tot een schandelijke dood
13 2, 20| verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden,
14 2, 23| onverderfelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn
15 3, 9 | 9 Die op hem betrouwen zullen de waarheid
16 3, 9 | gelovigen zullen in liefde bij hem blijven, want genade en
17 3, 14| Here, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren
18 4, 10| God behaagd heeft, is door Hem bemind; en levende onder
19 4, 14| daarom heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid
20 4, 17| niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben, en
21 4, 17| beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Here verzekerd heeft.~
22 5, 1 | aangezicht dergenen, die hem verdrukt en zijn moeiten
23 5, 11| vindt men geen teken in hem van de doortocht.~
24 5, 21| zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen.~
25 8, 21| ging ik tot de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn
26 9, 6 | die van u komt, niet bij hem is.~
27 10, 2 | 2 En heeft hem getrokken uit zijn eigen
28 10, 2 | getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te heersen
29 10, 5 | rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard,
30 10, 10| zijns broeders, en heeft hem het koninkrijk Gods getoond,
31 10, 10| heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn
32 10, 11| gierigheid dergenen die hem geweld aandeden, stond zij
33 10, 11| aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk.~
34 10, 11| stond zij bij hem, en maakte hem rijk.~
35 10, 12| 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte
36 10, 12| van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die
37 10, 12| zeker tegen degenen, die hem lagen legden, en in die
38 10, 12| sterke strijd heeft zij hem de prijs der overwinning
39 10, 13| verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij
40 10, 13| zonde verlost; zij voer met hem af in de put.~
41 10, 14| En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef
42 10, 14| verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter
43 10, 14| bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks
44 10, 14| en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden;
45 10, 14| zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft
46 10, 14| beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid
47 14, 1 | verrotter is dan het schip dat hem voert.~
48 14, 15| rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd
49 14, 24| ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel.~
50 15, 8 | wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~
51 15, 11| Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel
52 15, 11| gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke
53 15, 11| ingeblazen heeft, welke in hem werkt, en hem een geest
54 15, 11| welke in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft,
55 15, 11| geest ingeademd heeft, die hem doet leven.~
56 15, 16| mens kan een god maken die Hem gelijk is.~
|