Chapter, Verse
1 2, 4 | der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.~
2 4, 2 | tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat zij weg, zo
3 4, 2 | weg, zo verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw
4 4, 9 | mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven
5 6, 12| gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden
6 6, 12| liefhebben, en gevonden door die haar zoeken.~
7 6, 13| Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend
8 6, 14| Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn, zal geen
9 6, 14| moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden
10 6, 15| 15 Want aan haar te gedenken is de volkomenheid
11 6, 17| 17 Want haar beginsel is de ware begeerte
12 6, 18| liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding
13 6, 22| niet verbergen, maar zal haar van het begin harer geboorte
14 6, 22| geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen,
15 7, 8 | 8 Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen;
16 7, 8 | niets in vergelijking met haar.~
17 7, 9 | vergeleek geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien
18 7, 9 | het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand,
19 7, 9 | zilver is als slijk tegen haar te rekenen.~
20 7, 10| en schone gestalte heb ik haar bemind, en heb haar verkoren
21 7, 10| heb ik haar bemind, en heb haar verkoren om te hebben tot
22 7, 10| licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust.~
23 7, 11| allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door
24 7, 11| en ontelbare rijkdom door haar handen.~
25 7, 13| zonder afgunst deel ik mede: haar rijkdom verberg ik niet.~
26 7, 14| schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap
27 7, 22| 22 Want in haar is een geest die verstandig
28 7, 24| door alle dingen vanwege haar reinheid.~
29 7, 25| almachtige, daarom valt in haar niets dat besmet is.~
30 8, 2 | van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te nemen
31 8, 2 | geworden een liefhebber van haar schoonheid.~
32 8, 3 | 3 Zij maakt haar adellijke afkomst daarmede
33 8, 3 | Here aller dingen heeft haar lief.~
34 8, 7 | gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want
35 8, 10| 10 Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder
36 8, 13| 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben,
37 8, 15| mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.~
38 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt geen
39 8, 16| verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en
40 8, 18| 18 En in haar vriendschap goede vermakelijkheid
41 8, 18| oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in
42 8, 18| omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht.~
43 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou
44 8, 21| machtig zou worden, indien God haar mij niet gaf, (en dat was
45 9, 10| 10 Zend haar af uit uw heilige hemelen,
46 9, 10| heilige hemelen, ja zend haar van de troon uwer heerlijkheid,
47 9, 11| handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid.~
48 10, 9 | moeite verlost degenen die haar dienen.~
49 10, 15| uit de natie dergenen die haar verdrukten.~
50 11, 1 | 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt
51 14, 6 | nam de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip,
52 17, 11| vervaard ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd
|