Chapter, Verse
1 2, 1 | niemand wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.~
2 2, 18| komen, en zal hem verlossen uit de hand dergenen die hem
3 4, 3 | geen voordeel doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt,
4 4, 6 | 6 Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren,
5 4, 14| daarom heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid
6 4, 19| overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij
7 5, 17| rijk, en een schone kroon uit de hand des Heren, want
8 5, 22| van een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit
9 5, 23| zullen geworpen worden, als uit een slinger der gramschap;
10 7, 1 | eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong
11 7, 2 | in bloed tezamen geronnen uit zaad eens mans, en wellust
12 7, 10| een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust.~
13 7, 14| geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen.~
14 8, 4 | Gods, en doet een keuze uit zijn werken.~
15 8, 21| Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.~
16 9, 4 | zit, en verwerp mij niet uit uw kinderen.~
17 9, 10| 10 Zend haar af uit uw heilige hemelen, ja zend
18 10, 2 | 2 En heeft hem getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte
19 10, 9 | 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen die
20 10, 13| verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer
21 10, 15| onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar
22 10, 19| verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond
23 11, 4 | en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en
24 11, 4 | steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen.~
25 11, 18| hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante
26 11, 19| of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.~
27 11, 23| voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een
28 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk
29 12, 8 | wespen, om hen gaandeweg uit te roeien.~
30 13, 1 | kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet
31 13, 5 | 5 Want uit de grootte en schoonheid
32 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen kunt,
33 14, 19| gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~
34 15, 7 | werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij
35 15, 8 | maakt hij een ijdele god uit datzelfde leem, daar hij
36 15, 8 | hij weinig tijds tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een
37 15, 8 | daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer
38 16, 8 | verstaan, dat gij het zijt die uit alle kwaad verlost.~
39 16, 13| hel en leidt daar weder uit.~
40 16, 24| hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen,
41 17, 14| voorwaar onverdragelijk was, uit de binnenste holen van de
42 17, 19| dieren, of de weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt
43 18, 15| alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke troon af,
44 19, 7 | men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder
45 19, 7 | zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend
46 19, 12| troost kwamen kwakkelen op uit de zee; doch de straffen
47 19, 17| hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken der
|