Chapter, Verse
1 1, 9 | 9 Want over de raadslagen der goddelozen
2 1, 12| en trekt het verderf niet over u door werken uwer handen.~
3 2, 20| verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden,
4 3, 7 | bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, gelijk de
5 3, 8 | de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de
6 3, 8 | als koning in eeuwigheid over hen regeren.~
7 3, 9 | zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.~
8 4, 15| zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen.~
9 4, 17| en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben,
10 5, 2 | en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.~
11 5, 3 | en zeggen: Deze was het over wie wij eertijds lachten,
12 6, 2 | uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, en u verhovaardigt
13 6, 2 | heerst, en u verhovaardigt over de scharen der volken.~
14 6, 5 | Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng
15 6, 5 | streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen
16 6, 5 | zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn.~
17 6, 8 | 8 Maar over de heersende zal een sterke
18 9, 2 | bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van u
19 9, 7 | verkoren tot een koning over uw volk, en tot een rechter
20 9, 7 | volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.~
21 10, 2 | sterkte gegeven om te heersen over alle dingen.~
22 10, 5 | bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.~
23 10, 14| koninkrijks bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld
24 11, 15| spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het
25 11, 18| gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte
26 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits gij
27 12, 16| rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst, maakt dat
28 12, 18| 18 Maar gij, heersende over de sterkte, oordeelt met
29 12, 25| oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen
30 12, 25| bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand
31 12, 27| 27 Want over welke dingen zij zeer ontevreden
32 12, 27| zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat
33 12, 27| de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.~
34 13, 4 | verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat
35 14, 15| vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig
36 14, 31| die zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.~
37 16, 3 | vertoonde plaag der dingen die over hen gezonden waren, hen
38 16, 5 | schrikkelijke grimmigheid der dieren over hen kwam, en zij door de
39 16, 13| 13 Want gij hebt macht over leven en over dood, gij
40 16, 13| hebt macht over leven en over dood, gij leidt af tot de
41 17, 21| 21 Maar over hen alleen was een zware
42 18, 10| en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend
43 18, 23| reeds de doden met hopen over elkander gevallen lagen,
44 19, 12| doch de straffen kwamen over de zondaars;~
45 19, 14| ook niet lijden dat iemand over hen opzicht had, omdat zij
|