Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Het boek der Wijsheid

IntraText - Concordances

(Hapax - words occurring once)


31-kleur | klimm-verba | verbe-zwijg

     Chapter, Verse
1 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene 2 11, 21| deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd 3 10, 11| dergenen die hem geweld aandeden, stond zij bij hem, en maakte 4 12, 10| was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet 5 16, 11| die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw weldadigheid.~ 6 14, 20| aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, 7 14, 20| het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde 8 3, 6 | in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer.~ 9 18, 20| doods de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een 10 17, 4 | spokerijen met afschuwelijke aangezichten verschenen hun.~ 11 14, 30| gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig 12 1, 6 | opmerker zijns harten en een aanhoorder zijner tong.~ 13 13, 3 | scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel 14 3, 1 | Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.~ 15 16, 7 | behouden door hetgeen hij aanschouwd had, maar door u de behouder 16 17, 10| En weigerende de lucht te aanschouwen, die toch nergens kan ontvloden 17 15, 5 | 5 Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, 18 5, 19| 19 Hij zal gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en 19 18, 20| 20 Ook heeft eenmaal de aanvechting des doods de rechtvaardigen 20 11, 9 | 9 Aanwijzende door de dorst, die zij toen 21 19, 6 | gehele schepsel werd in zijn aard wederom van nieuws herschapen, 22 11, 23| wereld is voor u gelijk een aasje uit de weegschalen, en als 23 1, 11| en onthoudt uw tong van achterklappen, want de verborgen rede 24 8, 13| eeuwige gedachtenis degenen achterlaten, die na mij komen zullen.~ 25 18, 2 | 2 En achtten die gelukkig, dat zij ook 26 8, 3 | 3 Zij maakt haar adellijke afkomst daarmede heerlijk 27 14, 17| dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar 28 5, 6 | van de weg der waarheid afgedwaald, en het licht der gerechtigheid 29 15, 8 | schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~ 30 14, 15| zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte 31 13, 11| timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen 32 11, 15| zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben 33 10, 19| zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~ 34 7, 13| heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mede: haar rijkdom 35 16, 3 | noodwendige begeerte zouden afkeren, maar dezen, hebbende een 36 8, 3 | Zij maakt haar adellijke afkomst daarmede heerlijk dat zij 37 12, 20| van de boosheid mochten aflaten;~ 38 19, 17| hun weerklank, hetwelk men afleiden kan uit een naarstig opmerken 39 17, 19| van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel der 40 3, 3 | 3 En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn 41 7, 26| 26 Want zij is een afschijnsel des eeuwigen lichts, en 42 13, 11| schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, 43 17, 4 | droevige spokerijen met afschuwelijke aangezichten verschenen 44 13, 16| Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, 45 10, 3 | welke de onrechtvaardige, afvallig geworden zijnde door zijn 46 11, 12| 12 En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, 47 14, 17| vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig 48 17, 16| dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, gevangen was, 49 7, 23| alle verstandige, reine, allerfijnste geesten gaat.~ 50 15, 18| eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, 51 9, 8 | berg zou bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, 52 18, 15| 15 Toen daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de 53 16, 25| veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~ 54 17, 16| 16 Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, 55 17, 15| wonderlijke spokerijen gedreven en anderdeels bezweken zij door begeven 56 9, 10| tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, 57 13, 11| afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, 58 15, 9 | maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, 59 2, 10| 10 Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, 60 12, 5 | ingewand van mensenvlees aten,~ 61 10, 14| 14 En in de banden heeft zij hem niet verlaten, 62 10, 5 | inwendige bewegingen der barmhartigheden over zijn zoon.~ 63 10, 4 | zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid 64 9, 14| zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker.~ 65 12, 4 | zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige 66 4, 11| veranderen, of list zijn ziel bedriegen.~ 67 1, 5 | der onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af van de gedachten 68 12, 24| voor goden hielden, zijnde bedrogen gelijk de onverstandige 69 2, 12| en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht 70 15, 19| zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien 71 19, 11| gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.~ 72 8, 5 | 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, 73 8, 8 | ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, 74 6, 11| 11 Zo zijt dan begerig naar mijn woorden, verlangt 75 13, 3 | want de oorspronkelijke beginner der schoonheid heeft deze 76 1, 14| geschapen om te zijn, en de beginselen der wereld zijn heilzaam, 77 18, 12| niet genoegzaam om die te begraven, overmits dat hun edelste 78 4, 10| 10 Die God behaagd heeft, is door Hem bemind; 79 9, 18| hebben geleerd hetgeen u behagelijk is.~ 80 10, 14| over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond 81 10, 5 | onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de 82 16, 4 | oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en dezen alleen 83 16, 25| alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~ 84 14, 27| afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, 85 16, 7 | aanschouwd had, maar door u de behouder van allen.~ 86 17, 12| anders dan een begeven der behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~ 87 11, 24| der mensen, opdat zij zich bekeren.~ 88 16, 20| vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.~ 89 17, 8 | ziek aan een vrees, die belachelijk was.~ 90 18, 13| dood der eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen Gods 91 12, 21| eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht?~ 92 17, 8 | 8 Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik 93 13, 4 | werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, 94 15, 6 | 6 Zulke mensen zijn beminnaars van kwade dingen, en zodanige 95 7, 22| onbesmet, klaar, zacht, beminnende het goed, scherp, die niet 96 7, 28| 28 Want God bemint niets, dan degene, die bij 97 15, 8 | 8 Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, 98 17, 11| door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie 99 11, 3 | zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun 100 18, 25| deze vreesde hij, want de beproeving des toorns was alleen genoeg.~ 101 13, 12| van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.~ 102 11, 18| te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen.~ 103 9, 8 | een tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar 104 17, 19| weerklank die uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen 105 14, 25| bedrog, verderving, ontrouw, beroerte, meinedigheid, onrust der 106 17, 8 | zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden 107 14, 29| zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.~ 108 18, 3 | en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg.~ 109 11, 20| 20 Welker beschadiging niet alleen hen tezamen 110 5, 6 | gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de zon der gerechtigheid 111 19, 8 | overging, die met uw hand beschermd werden, en zagen wonderlijke 112 5, 17| rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij 113 10, 20| gezongen en eendrachtiguw beschermende hand geprezen.~ 114 5, 3 | wij voor een smadelijke beschimping hadden.~ 115 10, 14| leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een 116 13, 5 | oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde.~ 117 12, 12| uw oordeel? en wie zal u beschuldigen vanwege de heidenen die 118 5, 17| met zijn arm zal hij hen beschutten.~ 119 7, 25| daarom valt in haar niets dat besmet is.~ 120 14, 26| Vergetelheid der weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling 121 12, 26| 26 Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben 122 12, 25| gij het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over 123 14, 19| prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, 124 7, 15| op de weg der wijsheid en bestiert de wijzen recht.~ 125 13, 14| kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, 126 14, 6 | der voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand.~ 127 14, 3 | voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook 128 16, 4 | 4 Want het betaamde dat degenen, die tirannie 129 12, 13| dingen zorgt, opdat gij zoudt betonen, dat gij niet onrechtvaardig 130 18, 21| een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht 131 10, 14| behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, 132 12, 17| 17 Want gij betoont sterkte, als men niet gelooft 133 4, 12| 12 Want de betovering der boosheid verdonkert 134 12, 22| goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, 135 14, 15| eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn 136 17, 9 | zo vergingen zij toch al bevende, zijnde vervaard door het 137 11, 13| Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met 138 15, 4 | namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.~ 139 18, 10| stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich 140 7, 24| 24 Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart 141 4, 19| scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste 142 17, 7 | neder, en dat zeer smadelijk bewijs hunner pocherij vanwege 143 17, 20| helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd 144 2, 6 | genieten, en hetgeen wij bezitten metterhaast gebruiken, gelijk 145 8, 5 | rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is 146 14, 11| de afgoden der heidenen bezocht worden, omdat zij onder 147 15, 9 | 9 Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal 148 9, 15| tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.~ 149 6, 17| der onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden 150 2, 4 | nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.~ 151 2, 15| 15 Hij is ons bezwaarlijk, ook zelfs om aan te zien, 152 9, 15| het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel 153 13, 17| 17 Nochtans, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, 154 4, 6 | Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen der 155 13, 18| onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~ 156 19, 6 | herschapen, dienende uw bijzondere geboden; en opdat uw kinderen 157 16, 1 | zijn zij door dergelijke billijk geplaagd, en door een menigte 158 17, 13| minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de 159 13, 14| bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, 160 8, 16| te leven, maar vreugde en blijdschap.~ 161 3, 9 | zullen in liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid 162 16, 22| brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas der 163 19, 16| Maar zij werden ook met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen 164 3, 7 | hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, 165 6, 12| 12 Blinkende en onverwelkelijk is de 166 12, 6 | 6 En de bloedeters uit het midden van uw goddelijk 167 2, 7 | kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~ 168 10, 7 | rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten dragen, 169 5, 22| als van een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit 170 13, 11| een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn 171 5, 24| aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen 172 19, 13| rechtvaardig voor hun eigen boosheden, dewijl zij een zwaarder 173 5, 19| gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel 174 9, 8 | tempel op uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad 175 16, 19| 19 Somtijds brandde ook de vlam in het midden 176 17, 6 | Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees verscheen 177 16, 22| zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende 178 3, 6 | en hen aangenomen als een brandoffer.~ 179 14, 23| godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen.~ 180 15, 13| stoffen vaten die licht breken, en gesneden beelden.~ 181 18, 21| haastig en streed voor hen, brengende de wapenen van zijn dienst, 182 16, 20| der engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder 183 8, 2 | voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber 184 17, 11| en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste.~ 185 10, 17| geworden tot een deksel des daags, en des nachts tot een vlam 186 18, 15| 15 Toen daalde uw alvermogend woord van 187 13, 11| meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk 188 14, 22| 22 Daarenboven was het niet genoeg omtrent 189 8, 3 | maakt haar adellijke afkomst daarmede heerlijk dat zij met God 190 6, 11| naar mijn woorden, verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen 191 17, 16| 16 Daarop dan volgde alzo, dat wie 192 13, 4 | kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger 193 4, 20| en hun onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, 194 17, 2 | besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige 195 7, 25| 25 Want zij is een damp der kracht Gods, en een 196 16, 28| zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten tegen de 197 18, 2 | zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt 198 8, 7 | kloekzinnigheid, gerechtigheid en dapperheid, welke de mens nuttiger 199 14, 26| het huwelijk, overspel en dartelheid.~ 200 15, 8 | maakt hij een ijdele god uit datzelfde leem, daar hij weinig tijds 201 13, 15| 15 En hebbende voor datzelve zulk een huis gemaakt als 202 18, 2 | hun nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, 203 10, 19| 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen 204 2, 4 | niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, 205 16, 1 | 1 DAAROM zijn zij door dergelijke billijk geplaagd, en door 206 14, 31| 31 Want niet de kracht dergene bij welke men zweert, maar 207 18, 18| een herwaarts, de ander derwaarts geworpen liggende, half 208 18, 9 | eendracht, dat de heiligen beide derzelver goederen en gevaren tegelijk 209 15, 7 | werken dienstig zijn, en desgelijks alle, die tot onreine werken 210 16, 21| maar dienende tot begeerte desgenen die daartoe kwam, werd zij 211 17, 14| onverdragelijke hel voortgekomen, dezelfde slaap slapende.~ 212 15, 8 | een kleine tijd daarna in dezelve gaan zal, uit welke hij 213 13, 9 | zij niet veel eer de Here dezer dingen gevonden?~ 214 17, 19| der vogelen, omtrent de dichte takken, of het ruisen van 215 10, 16| gegaan in de ziel van de dienaar des Heren, en wederstond 216 6, 4 | 4 Omdat gij dienaars zijnde van zijn koninkrijk 217 16, 25| alles veranderd zijnde, diende zij uw alvoedende gave, 218 12, 9 | maken, of door vreselijke dienren, of met een streng woord 219 19, 13| maar genen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun 220 9, 5 | dienstknecht en een zoon uwer dienstmaagd, een zwak mens, en van weinig 221 4, 3 | scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste grond 222 16, 11| niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden 223 10, 19| noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken.~ 224 13, 14| Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk 225 12, 7 | land, hetwelk bij u het dierbaarste is van alle, de waardige 226 14, 25| vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, 227 18, 6 | 6 Diezelfde nacht was tevoren onze vaderen 228 9, 7 | rechter over uw zonen en dochteren.~ 229 15, 17| sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige 230 17, 3 | heimelijke zonden, onder een donker deksel der vergetelheid, 231 16, 14| 14 En een mens doodt wel een ander door zijn 232 5, 12| tezamen loopt, zodat men zijn doorgang niet weet.~ 233 5, 7 | en hebben woeste omwegen doorreisd, maar de weg des Heren hebben 234 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, 235 14, 1 | voorheeft de wilde baren te doorreizen, die roept aan een hout, 236 5, 11| geen teken in hem van de doortocht.~ 237 6, 3 | vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal.~ 238 4, 2 | en in de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, 239 5, 24| tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid 240 18, 16| 16 Dragende een scherp zwaard, namelijk 241 16, 10| van de tanden de venijnige draken niet overwonnen; want uw 242 8, 9 | vermaning zijn, in zorg en droefheid.~ 243 19, 7 | tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de 244 11, 23| weegschalen, en als een droppel van de morgendauw, nederkomende 245 14, 19| gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~ 246 9, 15| en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.~ 247 11, 13| 13 Want een dubbel verdriet beving hen en een 248 2, 24| 24 Maar door des duivels nijdigheid is de dood in 249 5, 15| gedreven wordt, en gelijk een dunne rijm, die door een wervelwind 250 14, 22| omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een 251 1, 12| Staat niet naar de dood door dwaling uws levens, en trekt het 252 12, 24| zij zo ver in de wegen der dwalingen verdoold, dat zij ook de 253 3, 2 | schijnen in de ogen der dwazen te sterven, en hun uitgang 254 19, 13| kwamen niet aan, maar genen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen, 255 3, 16| 16 Maar de kinderen der echtbrekers zullen niet volkomen worden, 256 14, 24| niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf de een brengt 257 7, 9 | 9 Ik vergeleek geen edele steen bij haar, want al 258 18, 12| begraven, overmits dat hun edelste geslacht in een ogenblik 259 18, 9 | ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen beide derzelver 260 10, 20| heilige naam lof gezongen en eendrachtiguw beschermende hand geprezen.~ 261 18, 20| 20 Ook heeft eenmaal de aanvechting des doods 262 17, 15| 15 Werden eensdeels door de wonderlijke spokerijen 263 1, 1 | gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des harten.~ 264 4, 8 | 8 Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds 265 14, 18| 18 De eergierigheid van de kunstenaar heeft 266 7, 3 | ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest, gelijk van 267 18, 13| hebben zij in de dood der eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen 268 7, 1 | van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn 269 10, 1 | wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader 270 4, 2 | haar, en in de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en 271 6, 21| eert de wijsheid, opdat gij eeuwig als koningen moogt regeren.~ 272 7, 26| zij is een afschijnsel des eeuwigen lichts, en een onbevlekte 273 18, 1 | licht, welker stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen 274 7, 3 | op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; wenen is 275 10, 5 | als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkander verward waren, 276 6, 1 | leert gij rechters van de einden der aarde,~ 277 13, 10| 10 Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is 278 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het andere einde, 279 7, 6 | mensen ingang in het leven is enerlei, en een even gelijke uitgang.~ 280 16, 20| gespijzigd met spijs der engelen, en toebereid brood van 281 8, 7 | liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid 282 18, 10| gekrijt der vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die 283 7, 13| 13 Zonder erg heb ik geleerd, en zonder 284 14, 11| de zielen der mensen tot ergernissen, en de voeten der onwijzen 285 13, 1 | zijner werken de werkmeester erkend.~ 286 18, 15| koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden 287 11, 7 | vlietende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, 288 19, 15| arbeid degenen, welke zij met feestviering ontvangen hadden, en die 289 7, 22| heilig, enig, menigvuldig, fijn, vaardig, rein, onbesmet, 290 11, 7 | Zulks dat in plaats van een fontein van de altijd vlietende 291 13, 11| arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig 292 2, 7 | zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~ 293 13, 6 | verleid, God zoekende die zij gaarne wilden vinden;~ 294 8, 21| indien God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, 295 13, 19| gelukkige reis, hetgeen zelf de gang niet gebruiken kan, en om 296 11, 23| 23 Want de ganse wereld is voor u gelijk 297 16, 27| verdorven was, dat versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een 298 5, 15| degene, die maar één dag gast geweest is.~ 299 16, 25| diende zij uw alvoedende gave, naar de wil der behoeftigen.~ 300 7, 14| aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing 301 5, 8 | Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en wat heeft ons de rijkdom 302 18, 21| zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het 303 7, 2 | mijner moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde 304 14, 15| degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden 305 11, 26| 26 En hoe zou er wat gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, 306 11, 7 | geworden, tot overtuiging des gebods de kleine kinderen te doden.~ 307 17, 2 | gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten 308 5, 8 | ons de rijkdom met pochen gebracht?~ 309 4, 5 | ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden, en hun vrucht is 310 19, 10| 10 Want zij waren nog gedachtig de dingen die geschied waren 311 16, 24| onrechtvaardigen, en laat hen gedijen tot weldadigheid voor degenen 312 16, 9 | der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor 313 17, 4 | en maakten rondom heen gedruis en droevige spokerijen met 314 2, 21| zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft 315 14, 16| de geboden der tirannen geeerd geworden.~ 316 14, 20| tevoren als een mens was geëerd geworden.~ 317 9, 4 | 4 Geef mij de wijsheid, die bij 318 6, 22| brengen, en zal de waarheid geenszins voorbijgaan.~ 319 7, 23| verstandige, reine, allerfijnste geesten gaat.~ 320 5, 3 | zeggen, en door angst des geestes zuchten, en zeggen: Deze 321 16, 16| zijn door uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone 322 4, 14| aangenaam, daarom heeft hij gehaast hem uit het midden der boosheid 323 11, 25| gemaakt hebt, want zo gij iets gehaat hadt, gij zoudt het niet 324 8, 21| en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.~ 325 16, 11| uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij niet, vervallende 326 6, 10| zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die deze geleerd 327 18, 4 | duisternis gevangen werden gehouden, die uw kinderen gevankelijk 328 5, 15| die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, 329 11, 10| zij in ontferming werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe 330 19, 21| hebt het niet onwaardig gekeurd te allen tijde en in alle 331 8, 19| goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel.~ 332 18, 10| een niet overeenstemmend gekrijt der vijanden en een erbarmelijke 333 11, 12| tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld.~ 334 16, 3 | hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden 335 12, 23| des levens onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelen 336 8, 8 | tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden.~ 337 10, 17| hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, 338 19, 16| met blindheid geslagen, gelijkerwijs degenen die voor de deur 339 18, 6 | wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover goedsmoeds 340 3, 14| een uitverkoren genade des geloofs, en een zeer aangenaam lot 341 12, 17| betoont sterkte, als men niet gelooft dat uw macht volkomen is, 342 18, 13| geen van al deze dingen gelovende vanwege de toverijen, hebben 343 3, 9 | waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde bij hem 344 1, 9 | onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden zal voor 345 18, 2 | 2 En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, 346 13, 19| 19 En om een gelukkige reis, hetgeen zelf de gang 347 13, 2 | 2 Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de 348 4, 8 | met een getal van jaren gemeten wordt.~ 349 16, 10| barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.~ 350 16, 12| noch pleister heeft hen genezen, maar, Here, uw woord, hetwelk 351 18, 12| levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, overmits 352 11, 14| hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.~ 353 19, 13| vijandschap tegen vreemdelingen geoefend hadden als die van Sodom; 354 11, 21| maar gij hebt alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.~ 355 10, 20| eendrachtiguw beschermende hand geprezen.~ 356 17, 19| geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die van boven 357 7, 2 | zijnde in bloed tezamen geronnen uit zaad eens mans, en wellust 358 2, 12| begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden 359 7, 3 | geboren zijnde, de lucht geschept, die ons gemeen is, en ben 360 1, 9 | goddelozen zal onderzoek geschieden, en het geluid zijner woorden 361 8, 8 | begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen 362 14, 7 | door hetwelk gerechtigheid geschiedt.~ 363 4, 5 | tot spijs, en tot niets geschikt.~ 364 18, 2 | genade, dat zij met hen geschil hadden gehad.~ 365 5, 12| een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor 366 12, 22| 22 Ons dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden tienduizend 367 3, 14| 14 En de gesnedene is zalig die geen onrecht 368 16, 20| Daarentegen hebt gij uw volk gespijzigd met spijs der engelen, en 369 5, 11| door de kracht des suizens gespleten wordt, en daarna vindt men 370 6, 5 | degenen, die over anderen gesteld zijn.~ 371 16, 11| werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, 372 4, 16| 16 De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen 373 5, 21| 21 En zal de gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, 374 10, 8 | zelfs in hetgeen waarin zij gestruikeld hebben.~ 375 16, 21| die daartoe kwam, werd zij getemperd tot hetgeen een ieder wilde.~ 376 3, 5 | 5 Zijnde een weinig getuchtigd geweest, zullen zij grote 377 4, 6 | onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen der boosheid tegen hun ouders, 378 10, 7 | welker boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, 379 2, 2 | 2 Want bij geval zijn wij geboren en na deze 380 18, 4 | gehouden, die uw kinderen gevankelijk ingesloten hielden door 381 16, 20| vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame smaak.~ 382 12, 20| opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor 383 16, 23| de rechtvaardigen zouden gevoed worden.~ 384 19, 17| Want de elementen worden gevoegelijk door zichzelf veranderd, 385 6, 4 | noch naar de raad Gods hebt gewandeld.~ 386 19, 9 | Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, 387 12, 27| die zij eertijds hadden geweigerd te kennen; waarom ook de 388 18, 5 | verdierft hen gezamenlijk in een geweldig water.~ 389 19, 13| voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen, want zij leden 390 11, 21| geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.~ 391 11, 26| gebleven zijn, zo gij niet hadt gewild, of onderhouden geweest 392 4, 2 | prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen heeft.~ 393 14, 16| 16 Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen 394 8, 18| niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met 395 17, 19| suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent de 396 9, 8 | 8 Gij hebt gezegd, dat ik een tempel op uw 397 14, 7 | 7 Want gezegend is het hout, door hetwelk 398 8, 2 | mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een 399 10, 20| Here, uw heilige naam lof gezongen en eendrachtiguw beschermende 400 10, 11| 11 In de gierigheid dergenen die hem geweld 401 18, 10| werden, verspreidde zich ginds en weder.~ 402 19, 18| gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde.~ 403 8, 8 | en de toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing 404 7, 10| hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust.~ 405 17, 5 | vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen der sterren konden 406 12, 6 | bloedeters uit het midden van uw goddelijk land, en de ouders, die 407 18, 9 | verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de 408 14, 9 | hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.~ 409 14, 23| kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen 410 14, 15| onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offeranden te plegen.~ 411 10, 12| opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is dan alles.~ 412 8, 19| 19 Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een 413 18, 6 | geloofd hadden, daarover goedsmoeds zouden zijn.~ 414 15, 9 | om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat 415 19, 7 | uit een sterke vloed, een grasdragend veld.~ 416 19, 3 | handen en klagende bij de graven der doden, namen zij een 417 18, 24| stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.~ 418 6, 7 | want hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt 419 8, 6 | onder de dingen die zijn groter kunstenaar dan zij?~ 420 12, 23| geleefd hebben, door hun eigen gruwelen gepijnigd hebt.~ 421 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst lagen ook 422 5, 23| 23 Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, 423 9, 11| voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar 424 7, 16| kloekheid en wetenschap van handwerken.~ 425 17, 19| geweld aflopende, of een hard gerommel der stenen, die 426 11, 4 | genezing van dorst uit een harde steen.~ 427 2, 10| en de grijze, veeljarige haren des ouden niet ontzien.~ 428 6, 15| der kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder 429 14, 9 | 9 Want bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.~ 430 12, 4 | 4 Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen 431 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners van uw 432 16, 12| woord, hetwelk alle dingen heelt.~ 433 11, 15| zij, eertijds uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende 434 18, 11| 11 En de knecht met de heer werden met gelijke straf 435 18, 3 | niet beschadigde in hun heerlijke herberg.~ 436 6, 3 | 3 Want de heerschappij is u door de Here gegeven, 437 5, 23| de stromen zullen tezamen heftig overvloeien.~ 438 9, 8 | naar de gelijkheid van de heiilge tabernakel, welke gij tevoren 439 1, 14| beginselen der wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn 440 17, 3 | menende te schuilen in hun heimelijke zonden, onder een donker 441 5, 19| oordeel opzetten tot een helm.~ 442 13, 16| dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, 443 13, 2 | water of de lichten des hemels, goden waren, die de wereld 444 19, 20| als ijs licht smeltende hemelse spijs versmolt niet.~ 445 13, 16| tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het 446 18, 3 | beschadigde in hun heerlijke herberg.~ 447 17, 17| ware dan een landman of een herder, of een die moeilijker werken 448 19, 6 | aard wederom van nieuws herschapen, dienende uw bijzondere 449 18, 18| 18 En de een herwaarts, de ander derwaarts geworpen 450 14, 8 | dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene 451 17, 19| 19 Hetzij dan dat daar was een suizende 452 4, 19| 19 En zullen hierna tot een schandelijke val 453 18, 23| stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de 454 2, 4 | zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt.~ 455 18, 24| uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.~ 456 14, 12| afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving 457 18, 24| grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd.~ 458 15, 15| trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers hunner 459 8, 15| Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de 460 1, 16| woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij 461 14, 6 | ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de 462 5, 8 | 8 Wat heeft ons de hovaardij gebaat? en wat heeft ons 463 17, 19| beesten, of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank 464 12, 6 | met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt 465 19, 9 | werden als paarden geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende 466 5, 18| 18 Hij zal zijn ijver nemen tot een gehele wapenrusting, 467 1, 10| 10 Overmits zijn ijverig oor al de dingen hoort, 468 13, 15| muur en maakt het vast met ijzer,~ 469 17, 16| opgesloten in de kerker zonder ijzers.~ 470 13, 16| 16 Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt 471 18, 17| ontroerden hen terstond zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, 472 12, 2 | vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, 473 6, 2 | 2 Laat dit tot uw oren ingaan, gij die over menigten heerst, 474 7, 6 | 6 Maar aller mensen ingang in het leven is enerlei, 475 15, 11| werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven.~ 476 15, 11| gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, welke in hem werkt, 477 18, 24| de vier rijen der stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op 478 18, 4 | uw kinderen gevankelijk ingesloten hielden door welke het onverderfelijke 479 12, 5 | hunner kinderen, en die het ingewand van mensenvlees aten,~ 480 10, 5 | dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen der barmhartigheden 481 12, 3 | 3 Want hatende de oude inwoners van uw heilig land,~ 482 12, 7 | is van alle, de waardige inwoning der kinderen Gods ontvangen 483 4, 3 | voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten.~ 484 15, 12| en de loop des levens een jaarmarkt, waar men gewin doet; want 485 7, 19| 19 De omloop des jaars, en de stelling der sterren,~ 486 18, 21| maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienstknecht 487 4, 8 | noch die met een getal van jaren gemeten wordt.~ 488 8, 10| hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de ouden.~ 489 8, 2 | liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en haar gezocht voor 490 16, 7 | 7 Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door 491 15, 11| 11 Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en 492 5, 11| 11 Of gelijk geen kenteken wordt gevonden van de reis 493 17, 16| gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.~ 494 17, 18| zij waren allen met een keten der duisternis gebonden.~ 495 8, 4 | wetenschap Gods, en doet een keuze uit zijn werken.~ 496 13, 6 | Maar nochtans is in deze de klacht gering, want ook misschien 497 19, 3 | nog de rouw in handen en klagende bij de graven der doden, 498 6, 7 | niet vrezen, want hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk 499 13, 14| blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende 500 15, 4 | bevlekt is met verscheidene kleuren.~


31-kleur | klimm-verba | verbe-zwijg

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License