31-kleur | klimm-verba | verbe-zwijg
Chapter, Verse
501 14, 4 | iemand zonder kunst daarin klimme.~
502 8, 7 | zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, gerechtigheid en dapperheid,
503 18, 10| 10 En daarentegen klonk een niet overeenstemmend
504 18, 11| 11 En de knecht met de heer werden met gelijke
505 1, 10| de dingen hoort, en het knorren des murmurerens hem niet
506 18, 3 | hun gaaft een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de
507 8, 15| en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben.~
508 18, 15| woord van de hemel uit de koninklijke troon af, als een ernstig
509 10, 14| totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht, en macht over degenen
510 15, 9 | zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een
511 15, 9 | hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat
512 2, 7 | Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem
513 17, 19| maakten hen zeer bevreesd en krachteloos.~
514 7, 20| onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.~
515 19, 19| 19 Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn
516 13, 2 | omloop der sterren, of het krachtige water of de lichten des
517 19, 2 | hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.~
518 18, 15| troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden van het land,
519 15, 5 | begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een
520 13, 13| is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij,
521 2, 8 | 8 Laat ons ons kronen met rozenknoppen, eer zij
522 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister heeft hen
523 7, 21| die van alle dingen een kunstenares is, heeft ze mij geleerd.~
524 14, 2 | heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het toebereid.~
525 14, 4 | uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder
526 3, 1 | in de hand Gods, en geen kwaal zal hen aanraken.~
527 13, 13| zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij
528 3, 2 | en hun uitgang wordt voor kwelling gerekend.~
529 5, 3 | het over wie wij eertijds lachten, en die wij voor een smadelijke
530 14, 21| 21 En dit is tot een lage geweest voor het leven,
531 19, 9 | geweid en huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen
532 19, 18| 18 Want de land-dieren veranderen in water-dieren,
533 17, 17| 17 Want het ware dan een landman of een herder, of een die
534 12, 2 | 2 Daarom bestraft gij langzaam degenen die vervallen, en
535 15, 1 | goedertieren en waarachtig, lankmoedig, en in barmhartigheid regeert
536 1, 6 | degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige
537 15, 7 | worden, daarover oordeelt de leemwerker.~
538 15, 16| gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft
539 8, 4 | 4 Want zij is een leermeesteres der wetenschap Gods, en
540 11, 18| menigte van beren, of stoute leeuwen.~
541 10, 12| tegen degenen, die hem lagen legden, en in die sterke strijd
542 12, 8 | en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden, namelijk
543 19, 6 | overschaduwde de wolk de legerplaats.~
544 8, 12| zij de hand op hun mond leggen.~
545 9, 11| en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en
546 19, 11| door lust gedreven zijnde lekkere spijs begeerden.~
547 2, 7 | en zalf, en de bloem der lente ga ons niet voorbij.~
548 10, 14| en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt
549 14, 28| razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig,
550 18, 22| verderver niet door sterkte des lichaams, niet door kracht van wapenen,
551 5, 11| slag der wieken door de lichte geslagen wind, die door
552 17, 20| 20 Want de gehele wereld lichtte met helder klaar licht,
553 17, 19| een suizende wind, of een liefelijk gezang der vogelen, omtrent
554 8, 2 | 2 Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid
555 6, 12| gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar
556 8, 7 | zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel
557 12, 19| rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt uw kinderen
558 1, 11| heengaan, en de mond die liegt, brengt de ziel om.~
559 14, 6 | toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling
560 18, 18| ander derwaarts geworpen liggende, half dood, openbaarde om
561 11, 15| de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de
562 1, 6 | houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een
563 2, 12| ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig,
564 4, 4 | nochtans dewijl zij zeer loffelijk voortkomen, zullen zij van
565 5, 12| terstond weder tezamen loopt, zodat men zijn doorgang
566 3, 7 | blinken, en over en weer lopen, gelijk de vonken in de
567 15, 15| tasten, en welker voeten lui zijn om voort te gaan.~
568 8, 17| hart bedacht, dat in de maagschap der wijsheid de onsterfelijkheid
569 12, 22| onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende,
570 7, 2 | tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde in bloed tezamen
571 11, 21| alle dingen geordineerd bij maat, en getal, en gewicht.~
572 8, 21| dat ik haar anders niet machtig zou worden, indien God haar
573 7, 2 | tezamen geronnen uit zaad eens mans, en wellust die daarbij
574 16, 18| 18 Want somtijds matigde zich de vlam, opdat zij
575 7, 13| en zonder afgunst deel ik mede: haar rijkdom verberg ik
576 19, 15| hadden, en die nu reeds medegenoten waren van hun rechten.~
577 17, 13| oorzaak, welke die pijn meebrengt.~
578 12, 27| namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende
579 16, 17| verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, hetwelk
580 13, 11| al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan
581 14, 25| verderving, ontrouw, beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;~
582 19, 17| de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende altijd
583 17, 3 | 3 Want menende te schuilen in hun heimelijke
584 7, 20| overleggingen der mensen, het menigerlei onderscheid der planten,
585 6, 2 | oren ingaan, gij die over menigten heerst, en u verhovaardigt
586 7, 22| verstandig is, heilig, enig, menigvuldig, fijn, vaardig, rein, onbesmet,
587 7, 15| God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken
588 13, 13| verstands, en maakt het eens mensenbeeld gelijk.~
589 13, 10| rekenen, die de werken der mensenhanden goden hebben genoemd; als
590 12, 5 | en die het ingewand van mensenvlees aten,~
591 1, 6 | Want de wijsheid is een menslievende geest, doch zal niet onschuldig
592 2, 9 | vermetelheid; laat ons overal merktekenen der weelde laten, want dit
593 2, 6 | en hetgeen wij bezitten metterhaast gebruiken, gelijk in de
594 9, 12| zal waardig zijn de troon mijns vaders.~
595 8, 17| 17 Deze dingen bij mijzelf overlegd hebbende en in
596 17, 13| 13 Maar hoe minder de verwachting van binnen
597 6, 6 | 6 Want de minsten is het te vergeven door
598 1, 9 | tot bestraffing zijner misdaden.~
599 8, 18| hoe ik haar tot mij nemen mocht.~
600 7, 2 | ben in het lichaam mijner moeder tot vlees gebeeld in tien
601 2, 1 | elkander: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing
602 17, 17| of een herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn,
603 6, 21| gij eeuwig als koningen moogt regeren.~
604 12, 5 | hebt gij de onbarmhartige moordenaars hunner kinderen, en die
605 11, 23| en als een droppel van de morgendauw, nederkomende op de aarde.~
606 6, 14| 14 Die vroeg des morgens tot haar zal gekomen zijn,
607 1, 10| hoort, en het knorren des murmurerens hem niet verborgen is.~
608 1, 11| ulieden dan voor de onnutte murmurering en onthoudt uw tong van
609 13, 15| waardig is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer,~
610 18, 5 | uitgezet en behouden was, naamt gij tot overtuiging de menigte
611 12, 21| 21 Met hoe grote naarstigheid oordeelt gij uw kinderen,
612 6, 19| onverderfelijkheid maakt dat men nabij God is.~
613 10, 17| deksel des daags, en des nachts tot een vlam der sterren.~
614 4, 2 | een kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd der prijzen,
615 2, 12| loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze
616 15, 9 | hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te
617 2, 4 | die van de stralen der zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard
618 9, 16| handen is; wie heeft dan nagespeurd hetgeen in de hemelen is?~
619 14, 6 | hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der wereld haar
620 6, 22| harer geboorte naarstig naspeuren, en haar kennis te voorschijn
621 10, 15| onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie dergenen die haar verdrukten.~
622 8, 14| Ik zal volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn.~
623 13, 1 | VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij welke geen kennis
624 9, 16| 16 En nauwelijks maken wij na de dingen die
625 17, 7 | toverkunst lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs
626 17, 19| der stenen, die van boven nedergeworpen worden, of de onzienlijke
627 11, 23| droppel van de morgendauw, nederkomende op de aarde.~
628 10, 6 | rechtvaardige verlost, toen hij het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~
629 17, 16| volgde alzo, dat wie aldaar nederviel, gevangen was, opgesloten
630 13, 13| dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is,
631 2, 4 | wordt verstrooid gelijk een nevel, die van de stralen der
632 1, 6 | God is een getuige zijner nieren, en een waarachtig opmerker
633 19, 11| hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogelen, toen
634 11, 19| Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen grimmigheid, of ook die
635 19, 6 | in zijn aard wederom van nieuws herschapen, dienende uw
636 13, 16| een beeld, en heeft hulp nodig.~
637 14, 27| men ook niet behoort te noemen, is het beginsel, en de
638 2, 13| kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind des Heren.~
639 17, 17| moest hij de onvermijdelijke nood dragen.~
640 16, 3 | gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren,
641 19, 4 | 4 Want de noodzakelijkheid, die zij waardig waren,
642 15, 17| heeft, maar zij hadden het nooit.~
643 8, 7 | enkel deugd, want zij leert nuchterheid en kloekzinnigheid, gerechtigheid
644 8, 7 | dapperheid, welke de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig
645 8, 18| en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid
646 18, 9 | heilige kinderen der vromen offerden in het verborgen, en ordineerden
647 18, 12| edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven werd.~
648 12, 6 | handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen
649 11, 20| gezicht hen ook had kunnen ombrengen.~
650 4, 12| verdonkert het goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed
651 13, 7 | 7 Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en
652 1, 4 | ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een
653 8, 18| gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat
654 8, 18| goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot
655 19, 16| want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg
656 5, 24| de stoelen der machtigen omkeren.~
657 7, 18| de verwisselingen van de omkeringen der zon, en de veranderingen
658 5, 7 | verderfs, en hebben woeste omwegen doorreisd, maar de weg des
659 12, 5 | 5 Zo hebt gij de onbarmhartige moordenaars hunner kinderen,
660 13, 18| leven, en hetgeen dat gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~
661 11, 2 | onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten
662 19, 13| Sodom; want dezen namen de onbekenden die daar kwamen niet aan,
663 7, 23| Vriendelijk, vast, zeker, onbekommerd, die alles vermag, die op
664 19, 6 | opdat uw kinderen zouden onbeschadigd bewaard zijn, overschaduwde
665 7, 22| menigvuldig, fijn, vaardig, rein, onbesmet, klaar, zacht, beminnende
666 10, 15| dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie
667 2, 22| hopen, en achten de eer der onbestraffelijke zielen niet.~
668 7, 26| eeuwigen lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende
669 11, 2 | 2 Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare
670 16, 29| 29 Want de hoop des ondankbaren zal versmelten als een rijm
671 12, 9 | veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke
672 15, 14| vijanden uws volks, die het onderdrukken, zijn allen zeer onwijs,
673 16, 26| voedt, maar dat uw woord onderhoudt degenen die u geloven.~
674 7, 20| der mensen, het menigerlei onderscheid der planten, en de krachten
675 16, 21| 21 Want deze uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen
676 4, 6 | ouders, wanneer men hen ondervraagt.~
677 6, 25| 25 Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het
678 17, 2 | ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun
679 8, 14| regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn.~
680 1, 9 | raadslagen der goddelozen zal onderzoek geschieden, en het geluid
681 6, 8 | heersende zal een sterke onderzoeking komen.~
682 4, 3 | voordeel doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt, zal
683 5, 4 | razernij, en zijn einde voor oneerlijk.~
684 12, 24| dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden,
685 2, 15| zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn gans
686 10, 7 | staande tot gedachtenis van de ongelovige ziel.~
687 17, 2 | 2 Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden
688 14, 26| verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel
689 14, 21| omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende,
690 16, 16| gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen
691 12, 4 | bedreven, van toverijen en onheilige offeranden,~
692 12, 9 | 9 Gij waart niet onmachtig om de goddelozen in een
693 16, 15| 15 Het is onmogelijk uw hand te ontvlieden.~
694 5, 20| heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild,~
695 15, 7 | desgelijks alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe
696 2, 16| van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde
697 4, 5 | en hun vrucht is onnut, onrijp tot spijs, en tot niets
698 14, 25| beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;~
699 1, 6 | menslievende geest, doch zal niet onschuldig houden degene, die met zijn
700 1, 15| 15 Gerechtigheid is onsterfelijk.~
701 18, 21| 21 Want de onstrafbare man kwam haastig en streed
702 10, 5 | rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed
703 8, 8 | verdraaiing der woorden en de ontbinding der raadselen; tekenen en
704 12, 27| over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden,
705 11, 24| 24 Maar gij ontfermt u over alle mensen, overmits
706 1, 11| de onnutte murmurering en onthoudt uw tong van achterklappen,
707 6, 16| zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen.~
708 14, 25| dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, beroerte, meinedigheid,
709 19, 14| zij de vreemden vijandig ontvingen.~
710 16, 15| is onmogelijk uw hand te ontvlieden.~
711 10, 6 | nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~
712 5, 2 | beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.~
713 17, 14| die nacht, welke voorwaar onverdragelijk was, uit de binnenste holen
714 17, 14| de binnenste holen van de onverdragelijke hel voortgekomen, dezelfde
715 5, 2 | zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid.~
716 16, 16| regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur
717 1, 5 | af van de gedachten der onverstandigen en bestraft hen, als de
718 6, 12| 12 Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt
719 19, 21| gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd te allen tijde en
720 14, 18| kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten
721 3, 16| worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen.~
722 4, 6 | 6 Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen
723 15, 14| onderdrukken, zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen
724 15, 5 | Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij
725 9, 14| en onze bedenkingen zijn onzeker.~
726 17, 19| nedergeworpen worden, of de onzienlijke loop der springende beesten,
727 1, 10| 10 Overmits zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het
728 3, 18| noch troost in de dag des oordeels.~
729 12, 22| tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, uw goedheid zorgvuldig
730 8, 15| goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in
731 7, 1 | mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft.~
732 16, 21| zoetigheid tegen uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte
733 18, 18| geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf.~
734 7, 21| beide van verborgen en openbare dingen, want de wijsheid,
735 10, 21| 21 Want de wijsheid opende de mond der stommen, en
736 16, 28| en u ontmoeten tegen de opgang des lichts.~
737 5, 6 | gerechtigheid is ons niet opgegaan.~
738 17, 16| nederviel, gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers.~
739 7, 4 | 4 In windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~
740 19, 7 | stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een
741 1, 6 | nieren, en een waarachtig opmerker zijns harten en een aanhoorder
742 13, 1 | is; noch hebben door de opmerking zijner werken de werkmeester
743 9, 3 | en gerechtigheid, en in oprechtheid des harten oordelen.~
744 2, 7 | 7 Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf,
745 5, 19| en een ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm.~
746 18, 9 | offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht,
747 2, 9 | onze vermetelheid; laat ons overal merktekenen der weelde laten,
748 13, 13| 13 En het overblijfsel daarvan dat nergens toe
749 18, 10| daarentegen klonk een niet overeenstemmend gekrijt der vijanden en
750 7, 27| geslacht, in de heilige zielen overgaande, maakt zij vrienden Gods
751 10, 18| de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water.~
752 19, 8 | 8 Waardoor al het volk overging, die met uw hand beschermd
753 14, 16| goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als
754 4, 19| stemmeloos en voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de
755 19, 6 | onbeschadigd bewaard zijn, overschaduwde de wolk de legerplaats.~
756 13, 14| zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin
757 4, 20| tegen hen staan, en hen overtuigen.~
758 1, 3 | zijn kracht beproefd zijnde overtuigt de zotten.~
759 19, 1 | 1 MAAR de toorn overviel de goddelozen zonder ontferming
760 17, 4 | vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen
761 11, 8 | 8 En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting.~
762 5, 23| stromen zullen tezamen heftig overvloeien.~
763 10, 12| heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven, opdat hij zou weten
764 18, 22| 22 En hij overwon de verderver niet door sterkte
765 16, 10| de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid
766 11, 24| gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden der mensen, opdat
767 19, 9 | 9 Want zij werden als paarden geweid en huppelden gelijk
768 14, 3 | en in de baren een zeker pad.~
769 6, 7 | de Here van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte
770 5, 12| 12 Of gelijk wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten
771 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen zullen heengaan,
772 17, 13| onwetendheid der oorzaak, welke die pijn meebrengt.~
773 19, 4 | zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak.~
774 2, 19| Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat wij zijn
775 19, 15| 15 En zij plaagden met zware arbeid degenen,
776 11, 14| dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden
777 18, 22| het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald
778 7, 20| menigerlei onderscheid der planten, en de krachten der wortelen.~
779 16, 16| ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd,
780 16, 12| 12 Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar,
781 5, 8 | heeft ons de rijkdom met pochen gebracht?~
782 17, 7 | smadelijk bewijs hunner pocherij vanwege hun, kloekheid.~
783 2, 16| einde der rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is.~
784 15, 7 | 7 Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met
785 10, 12| strijd heeft zij hem de prijs der overwinning gegeven,
786 2, 16| als van onreinheden: hij prijst zalig het einde der rechtvaardigen,
787 4, 2 | nadat zij de strijd der prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen
788 19, 9 | huppelden gelijk lammeren, prijzende u Here, die hen verlost
789 16, 11| Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken
790 14, 19| deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best
791 2, 24| van zijn deel zijn, die proeven deze.~
792 11, 1 | door de hand van de heilige profeet.~
793 7, 27| maakt zij vrienden Gods en profeten.~
794 14, 28| zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig,
795 10, 13| zij voer met hem af in de put.~
796 8, 8 | woorden en de ontbinding der raadselen; tekenen en wonderen weet
797 18, 16| het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging
798 8, 9 | wetende dat zij mij zal raden hetgeen goed is, en zal
799 1, 4 | een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen
800 14, 28| verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens,
801 14, 23| verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere
802 5, 4 | hielden zijn leven voor razernij, en zijn einde voor oneerlijk.~
803 19, 15| medegenoten waren van hun rechten.~
804 9, 7 | over uw volk, en tot een rechter over uw zonen en dochteren.~
805 5, 17| des Heren, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen,
806 6, 1 | koningen en verstaat; leert gij rechters van de einden der aarde,~
807 12, 16| sterkte is het beginsel der rechtvaardigheid, en dat gij over allen heerst,
808 13, 2 | goden waren, die de wereld regeerden.~
809 10, 4 | wijsheid weder behouden, regerende de rechtvaardige door een
810 8, 1 | 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het
811 7, 24| alle dingen vanwege haar reinheid.~
812 18, 21| en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de
813 14, 6 | begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der
814 1, 1 | lief, gij, die de aarde richt; hebt van de Here een goed
815 9, 12| zal uw volk rechtvaardig richten, en zal waardig zijn de
816 7, 7 | werd verstand gegeven; ik riep aan, en de geest der wijsheid
817 11, 4 | 4 Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water
818 18, 24| heerlijkheid der vaderen in de vier rijen der stenen ingegraveerd
819 8, 5 | is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles
820 19, 10| had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een
821 12, 8 | om hen gaandeweg uit te roeien.~
822 18, 24| 24 Want op de lange rok was het gehele versiersel,
823 10, 7 | nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en de bomen
824 13, 14| blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle
825 2, 8 | Laat ons ons kronen met rozenknoppen, eer zij verwelken.~
826 13, 11| indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende,
827 10, 14| bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks bracht,
828 13, 17| en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken
829 16, 5 | en zij door de beten der schadelijke slangen verdorven werden,~
830 6, 2 | u verhovaardigt over de scharen der volken.~
831 7, 14| 14 Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar
832 14, 1 | iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de
833 1, 3 | Want verkeerde gedachten scheiden van God, en zijn kracht
834 13, 3 | in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen,
835 5, 21| En zal de gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld
836 8, 11| 11 Ik zal scherpzinnig gevonden worden in het gericht,
837 4, 19| voorwaarts overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen,
838 4, 3 | doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt, zal niet diep
839 4, 16| die leven; en de jeugd die schielijk voleindigd is, de veeljarige
840 14, 17| afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning
841 3, 2 | 2 Zij schijnen in de ogen der dwazen te
842 3, 3 | En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn een vernieling,
843 5, 20| tot een onoverwinnelijk schild,~
844 15, 4 | mensen, noch de schaduw der schilderijen, zijnde een onvruchtbare
845 7, 29| 29 Want zij is schoner dan de zon, en verheven
846 14, 19| kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.~
847 13, 11| afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt,
848 17, 8 | beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis te verdrijven,
849 17, 9 | Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen
850 17, 9 | ontmoeten der beesten en schuifelen der kruipende dieren.~
851 15, 8 | hij genomen is, wanneer de schuld der ziel hem zal zijn afgeëist.~
852 5, 11| bewogen worden, gaat de slag der wieken door de lichte
853 16, 5 | de beten der schadelijke slangen verdorven werden,~
854 17, 14| voortgekomen, dezelfde slaap slapende.~
855 15, 10| hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven
856 7, 9 | weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te rekenen.~
857 5, 23| geworpen worden, als uit een slinger der gramschap; het water
858 11, 2 | in onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op.~
859 2, 19| 19 Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken,
860 17, 7 | ook ter neder, en dat zeer smadelijk bewijs hunner pocherij vanwege
861 5, 3 | lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden.~
862 13, 18| gans onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand.~
863 18, 2 | nochtans geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen
864 19, 3 | dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen
865 19, 20| derzelve, en die als ijs licht smeltende hemelse spijs versmolt niet.~
866 3, 6 | beproefd gelijk goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een
867 19, 17| veranderd, gelijk in een snarenspel de tonen de naam van de
868 18, 23| beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden.~
869 16, 22| 22 Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en
870 16, 11| gedenken aan uw woorden, en snel weder geheeld, opdat zij
871 18, 14| waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij was,~
872 13, 13| hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid,
873 2, 2 | geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een
874 19, 13| geoefend hadden als die van Sodom; want dezen namen de onbekenden
875 13, 12| 12 Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om spijze
876 15, 12| zij achten ons leven een spelen, en de loop des levens een
877 7, 26| lichts, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht,
878 13, 12| spaanders van zijn werk om spijze te bereiden, en wordt verzadigd.~
879 5, 10| voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de
880 11, 15| heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die
881 8, 21| de Here, en bad hem, en sprak uit geheel mijn hart.~
882 10, 21| stommen, en de tongen der sprakelozen maakte zij welsprekend.~
883 1, 8 | hem kunnen schuilen die spreekt wat onrecht is, en de straffende
884 17, 19| de onzienlijke loop der springende beesten, of de stem der
885 16, 9 | werden wel van de beten der sprinkhanen en vliegen gedood, en geen
886 1, 12| 12 Staat niet naar de dood door dwaling
887 9, 8 | bouwen, en een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid
888 10, 6 | nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~
889 11, 4 | water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit
890 11, 4 | werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van
891 18, 21| verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de gramschap
892 11, 3 | 3 Zij stelden zich tegen degenen die hen
893 7, 19| omloop des jaars, en de stelling der sterren,~
894 2, 12| want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken,
895 4, 19| eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende
896 9, 14| Want de overleggingen der sterfelijke mensen zijn vreesachtig,
897 10, 5 | bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen
898 18, 18| openbaarde om wat oorzaak hij stierf.~
899 18, 14| nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn
900 5, 24| de boosaardigheid zal de stoelen der machtigen omkeren.~
901 11, 18| niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had,
902 15, 13| zondig, makende van aardse stoffen vaten die licht breken,
903 10, 21| wijsheid opende de mond der stommen, en de tongen der sprakelozen
904 3, 7 | gelijk de vonken in de stoppelen.~
905 11, 18| een menigte van beren, of stoute leeuwen.~
906 12, 17| volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen die ze kennen.~
907 16, 27| verwarmd door een kleine straal der zon.~
908 19, 12| kwakkelen op uit de zee; doch de straffen kwamen over de zondaars;~
909 2, 4 | gelijk een nevel, die van de stralen der zon nagejaagd en van
910 18, 21| onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, brengende de wapenen
911 16, 24| die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf
912 5, 21| en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen.~
913 16, 17| uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen.~
914 14, 11| voeten der onwijzen tot een strik.~
915 5, 23| tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen heftig overvloeien.~
916 11, 7 | van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig bloed
917 17, 19| Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang
918 5, 11| die door de kracht des suizens gespleten wordt, en daarna
919 4, 5 | 5 De ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden,
920 16, 10| kinderen zijn ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet
921 15, 15| hunner handen om iets aan te tasten, en welker voeten lui zijn
922 16, 10| barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen.~
923 11, 9 | zij toen leden, hoe gij de tegenpartijders geplaagd hadt.~
924 18, 8 | 8 Want gelijk gij de tegenpartijen hebt gestraft, zo hebt gij
925 17, 19| uit de holen der bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen
926 2, 6 | Komt dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, en hetgeen
927 11, 2 | onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op.~
928 9, 17| wie heeft uw raad gekend? tenzij dat gij wijsheid gegeven,
929 17, 7 | der toverkunst lagen ook ter neder, en dat zeer smadelijk
930 9, 15| aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed.~
931 3, 11| ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut.~
932 7, 2 | moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde in
933 12, 22| geselt gij onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende,
934 5, 9 | gelijk een voorbijlopende tijding.~
935 13, 11| 11 En indien ook een timmerman een sappige boom afgezaagd
936 12, 14| 14 Noch koning, noch tiran zal u onder de ogen kunnen
937 13, 11| arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, hetwelk nuttig is tot dienst
938 11, 16| onvernuftige dieren tot wraak toegezonden.~
939 8, 8 | oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist zij; zij weet
940 19, 2 | dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast
941 14, 1 | WEDEROM iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft
942 14, 6 | de hoop der wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de
943 14, 4 | 4 Tonende dat gij uit alle gevaren
944 10, 21| mond der stommen, en de tongen der sprakelozen maakte zij
945 10, 3 | is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot zijns broeders
946 18, 25| want de beproeving des toorns was alleen genoeg.~
947 10, 14| verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter des koninkrijks
948 17, 7 | 7 De guichelarijen der toverkunst lagen ook ter neder, en
949 15, 7 | Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite,
950 15, 15| neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen,
951 1, 12| door dwaling uws levens, en trekt het verderf niet over u
952 4, 2 | draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd der
953 19, 4 | die zij waardig waren, trok hen tot dit einde, en bracht
954 3, 11| ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is
955 12, 22| 22 Ons dan tuchtigende, geselt gij onze vijanden
956 18, 23| gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af
957 11, 19| schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen.~
958 19, 19| en het water vergat zijn uitblussende natuur.~
959 16, 17| water, hetwelk toch alles uitblust, want de wereld strijdt
960 12, 6 | ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen onzer vaderen.~
961 19, 10| een menigte van vorsen uitgeborreld had.~
962 19, 3 | zij met smekingen hadden uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden
963 17, 21| alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld der duisternis
964 14, 15| hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld,
965 16, 14| boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen wederkeren,
966 4, 4 | van de kracht der winden uitgeworteld worden.~
967 8, 2 | Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jonkheid aan, en
968 16, 18| die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar
969 4, 18| achten, maar de Here zal hen uitlachen.~
970 11, 19| die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide
971 4, 4 | takken voor een tijd weder uitspruiten, nochtans dewijl zij zeer
972 6, 23| weg niet begeven met de uitterende nijdigheid, want deze zal
973 3, 14| hem zal gegeven worden een uitverkoren genade des geloofs, en een
974 14, 12| beginsel der hoererij; en hun uitvinding de verderving des levens.~
975 7, 25| kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing der heerlijkheid van de
976 5, 24| en hen als een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal
977 11, 27| alle dingen, omdat zij de uwe zijn, o Here, gij liefhebber
978 15, 2 | wetende dat wij onder de uwen gerekend worden.~
979 7, 22| enig, menigvuldig, fijn, vaardig, rein, onbesmet, klaar,
980 7, 24| bewegelijker dan alle beweging, vaart door, en gaat door alle
981 9, 12| waardig zijn de troon mijns vaders.~
982 11, 21| een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de
983 12, 23| 23 Vanwaar het ook komt, dat gij degenen
984 17, 6 | 6 Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees
985 4, 3 | niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten.~
986 8, 20| 20 Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen
987 19, 7 | sterke vloed, een grasdragend veld.~
988 12, 9 | om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig
989 8, 8 | ook iemand de ervarenheid veler dingen begeert, zij weet
990 1, 14| heilzaam, en in deze is geen venijn des verderfs, en het rijk
991 16, 10| ook zelfs van de tanden de venijnige draken niet overwonnen;
992 12, 24| 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen der dwalingen
993 3, 11| die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en
994 10, 4 | de rechtvaardige door een verachtelijk hout.~
995 11, 16| onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt gij
996 14, 30| zweren, en de heiligheid verachten.~
997 15, 10| aarde, en zijn leven is verachter dan leem.~
998 7, 18| omkeringen der zon, en de veranderingen der tijden,~
999 6, 10| deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden.~
1000 17, 3 | verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd
|