31-kleur | klimm-verba | verbe-zwijg
Chapter, Verse
1001 7, 13| deel ik mede: haar rijkdom verberg ik niet.~
1002 2, 21| want hun boosheid heeft hen verblind.~
1003 1, 16| versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want
1004 16, 18| vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die tegen de
1005 18, 20| en is in de woestijn een verbreking der menigte geschied, maar
1006 5, 12| zijnde, de lucht die daardoor verdeeld was, terstond weder tezamen
1007 8, 12| zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen zij de hand
1008 19, 20| het vlees der zeer licht verderfelijke beesten, wandelende in het
1009 16, 19| des onrechtvaardigen zou verderven.~
1010 18, 5 | hunner kinderen weg, en verdierft hen gezamenlijk in een geweldig
1011 12, 27| waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is.~
1012 12, 9 | woord tot één toe hen te verdoen.~
1013 4, 12| betovering der boosheid verdonkert het goede; en omdrijving
1014 12, 24| in de wegen der dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren,
1015 2, 19| bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven.~
1016 8, 8 | dingen gist zij; zij weet de verdraaiing der woorden en de ontbinding
1017 17, 8 | schrik en beroertenis te verdrijven, deze werden zelf ziek aan
1018 10, 19| Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit
1019 5, 1 | aangezicht dergenen, die hem verdrukt en zijn moeiten verworpen
1020 10, 15| natie dergenen die haar verdrukten.~
1021 3, 16| van een onwettig bed zal verdwijnen.~
1022 19, 19| kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende natuur.~
1023 7, 9 | 9 Ik vergeleek geen edele steen bij haar,
1024 7, 8 | rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar.~
1025 18, 22| plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden
1026 17, 1 | zijn groot en zwaar om te verhalen; daarom zijn de zielen,
1027 18, 8 | daarmee tot u geroepen en verheerlijkt.~
1028 7, 29| is schoner dan de zon, en verheven boven alle sterren, bij
1029 19, 7 | Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed,
1030 6, 2 | over menigten heerst, en u verhovaardigt over de scharen der volken.~
1031 1, 3 | 3 Want verkeerde gedachten scheiden van God,
1032 8, 3 | heerlijk dat zij met God verkeert, en de Here aller dingen
1033 8, 16| 16 Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch
1034 10, 13| verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit
1035 6, 22| zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de verborgenheden
1036 18, 7 | 7 En van uw volk is verkregen de verlossing der rechtvaardigen,
1037 7, 14| afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap bij God, en
1038 13, 19| hetgeen men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst
1039 18, 7 | uw volk is verkregen de verlossing der rechtvaardigen, en het
1040 11, 11| hebt gij wel als een Vader vermaand en beproefd, maar genen,
1041 12, 2 | degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende
1042 7, 23| onbekommerd, die alles vermag, die op alles ziet, en die
1043 8, 18| in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid
1044 16, 20| arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en allerlei bekwame
1045 12, 26| bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel
1046 14, 25| het is al onder elkander vermengd, bloed en moord, dieverij
1047 10, 10| zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd.~
1048 2, 9 | deel te hebben aan onze vermetelheid; laat ons overal merktekenen
1049 13, 14| is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn
1050 17, 11| zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste.~
1051 16, 20| gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven,
1052 11, 24| mensen, overmits gij alles vermoogt, en gij overziet de zonden
1053 11, 20| alleen hen tezamen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht
1054 6, 3 | die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken
1055 3, 3 | schijnt hun te zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede.~
1056 7, 27| en blijvende in zichzelf, vernieuwt zij alle dingen, en van
1057 17, 12| behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen.~
1058 8, 6 | 6 En zo de vernuftigheid werkt, wie is er onder de
1059 18, 2 | dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun nochtans geen
1060 4, 16| rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven;
1061 12, 15| te zijn van uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig
1062 1, 4 | in een lichaam aan zonden verplicht.~
1063 17, 17| doet in de woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke
1064 14, 1 | roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem
1065 17, 6 | brandend vuur vol vrees verscheen hun, en vervaard zijnde
1066 15, 4 | gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren.~
1067 17, 4 | afschuwelijke aangezichten verschenen hun.~
1068 2, 10| laat ons de weduwen niet verschonen, en de grijze, veeljarige
1069 12, 18| en regeert ons met veel verschoning, want bij u is het vermogen
1070 12, 8 | dezen hebt gij als mensen verschoond, en hebt voorlopers van
1071 18, 24| lange rok was het gehele versiersel, en de heerlijkheid der
1072 4, 19| schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid,
1073 16, 29| hoop des ondankbaren zal versmelten als een rijm die des winters
1074 1, 16| voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee
1075 2, 3 | tot as en onze geest wordt verspreid gelijk de wijde lucht.~
1076 18, 10| kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weder.~
1077 8, 21| 21 En verstaande dat ik haar anders niet
1078 15, 18| allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken,
1079 7, 22| in haar is een geest die verstandig is, heilig, enig, menigvuldig,
1080 7, 23| alles ziet, en die door alle verstandige, reine, allerfijnste geesten
1081 13, 13| door de ervarenheid zijns verstands, en maakt het eens mensenbeeld
1082 8, 15| zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een
1083 16, 3 | lust hadden, vanwege de vertoonde plaag der dingen die over
1084 19, 2 | zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden
1085 14, 5 | ledig zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen
1086 16, 11| geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid,
1087 3, 15| en de wortel der wijsheid vervalt niet.~
1088 19, 2 | zouden krijgen, en hen zouden vervolgen.~
1089 18, 16| ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en
1090 19, 4 | wedervaren waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan
1091 1, 7 | Want de Geest des Heren vervult de aarde, en hetgeen alles
1092 5, 15| een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook gelijk de
1093 11, 19| uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken
1094 10, 5 | eigenzinnigheid onder elkander verward waren, heeft de rechtvaardige
1095 16, 27| versmolt ganselijk, zijnde verwarmd door een kleine straal der
1096 15, 5 | aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot
1097 2, 8 | met rozenknoppen, eer zij verwelken.~
1098 9, 4 | die bij uw tronen zit, en verwerp mij niet uit uw kinderen.~
1099 2, 12| zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen
1100 2, 20| tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem
1101 14, 26| besmetting der zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid
1102 7, 18| het midden der tijden, de verwisselingen van de omkeringen der zon,
1103 4, 19| zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst
1104 5, 24| ongerechtigheid zal de gehele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal
1105 16, 17| hetwelk op het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere
1106 8, 11| der machtigen zal ik een verwondering zijn.~
1107 5, 1 | verdrukt en zijn moeiten verworpen hebben.~
1108 13, 12| spijze te bereiden, en wordt verzadigd.~
1109 16, 2 | lust van hun begeerte te verzadigen.~
1110 2, 5 | van onze dood, want die is verzegeld en niemand keert weder.~
1111 4, 17| en waartoe hem de Here verzekerd heeft.~
1112 6, 18| onderhouding der wetten is verzekering der onverderfelijkheid,~
1113 19, 20| 20 Wederom de vlammen verzengden niet het vlees der zeer
1114 11, 10| 10 Want toen zij zijn verzocht geworden, hoewel zij in
1115 1, 2 | door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die
1116 18, 21| namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde
1117 13, 16| immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende
1118 5, 15| goddeloze is gelijk een vezeltje, hetwelk van de wind gedreven
1119 18, 24| heerlijkheid der vaderen in de vier rijen der stenen ingegraveerd
1120 19, 14| had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.~
1121 19, 13| dewijl zij een zwaarder vijandschap tegen vreemdelingen geoefend
1122 10, 6 | het nedervallende vuur der vijf steden ontvlood.~
1123 5, 11| gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van
1124 15, 15| oren om te horen, noch de vingers hunner handen om iets aan
1125 19, 10| de rivier in plaats van vissen, een menigte van vorsen
1126 14, 17| zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig
1127 13, 14| en overstrijkende alle vlekken die daarin waren.~
1128 5, 11| lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de
1129 1, 5 | Heilige Geest der onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af
1130 5, 11| vogels, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen
1131 11, 7 | een fontein van de altijd vlietende stroom, zij door etterachtig
1132 14, 17| zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige,
1133 6, 3 | Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen
1134 19, 7 | verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld.~
1135 10, 10| op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn zijns
1136 19, 3 | uitgestoten, dezen hebben zij als vluchtenden vervolgd.~
1137 17, 2 | zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid.~
1138 16, 26| gewas der vruchten de mens voedt, maar dat uw woord onderhoudt
1139 11, 14| plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Here.~
1140 10, 13| uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put.~
1141 14, 1 | is dan het schip dat hem voert.~
1142 2, 4 | gaat voorbij, gelijk de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid
1143 5, 11| gevonden van de reis des vogels, die door de lucht vliegt,
1144 4, 16| en de jeugd die schielijk voleindigd is, de veeljarige ouderdom
1145 17, 16| 16 Daarop dan volgde alzo, dat wie aldaar nederviel,
1146 4, 2 | zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat zij
1147 6, 15| aan haar te gedenken is de volkomenheid der kloekheid, en die om
1148 2, 2 | rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging
1149 10, 8 | 8 Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen
1150 5, 9 | een schaduw, en gelijk een voorbijlopende tijding.~
1151 4, 3 | der goddelozen zal geen voordeel doen, en wat uit onechte
1152 6, 25| mijn woorden, en het zal u voordelig zijn.~
1153 19, 13| 13 Niet zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige
1154 14, 1 | toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde baren te doorreizen,
1155 16, 28| zij, dat men de zon moet voorkomen om u te danken, en u ontmoeten
1156 6, 13| 13 Zij voorkomt degenen die haar begeren,
1157 12, 8 | mensen verschoond, en hebt voorlopers van uw leger voor hen heengezonden,
1158 19, 3 | namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden
1159 6, 22| naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid
1160 15, 15| welker voeten lui zijn om voort te gaan.~
1161 19, 10| van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats
1162 17, 14| van de onverdragelijke hel voortgekomen, dezelfde slaap slapende.~
1163 2, 2 | en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons
1164 4, 3 | wat uit onechte scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen,
1165 7, 29| vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden.~
1166 14, 24| 24 Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch
1167 7, 12| dat zij van deze dingen voortteelster was.~
1168 14, 18| onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst der beelden.~
1169 4, 19| hij zal hen stemmeloos en voorwaarts overhangende scheuren; en
1170 9, 11| verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen,
1171 19, 10| vissen, een menigte van vorsen uitgeborreld had.~
1172 12, 15| rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van uw macht, te
1173 19, 10| waren in het land van hun vreemdelingschap; hoe de aarde in plaats
1174 19, 14| opzicht had, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen.~
1175 9, 14| sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn
1176 18, 25| week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving
1177 11, 20| kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen
1178 8, 16| met haar te leven, maar vreugde en blijdschap.~
1179 12, 11| den beginne; noch iemand vrezende, gaaft gij hun zekerheid
1180 1, 16| geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en
1181 7, 27| zielen overgaande, maakt zij vrienden Gods en profeten.~
1182 5, 1 | rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht
1183 3, 12| 12 Hun vrouwen zijn dwaas, en hun kinderen
1184 4, 3 | 3 Maar de vruchtbare menigte der goddelozen zal
1185 11, 19| grimmigheid, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een
1186 17, 5 | 5 Zelfs geen kracht des vuurs vermocht hen te lichten,
1187 18, 3 | Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige kolom, die hen geleidde
1188 6, 15| kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn.~
1189 13, 14| het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt
1190 12, 7 | dierbaarste is van alle, de waardige inwoning der kinderen Gods
1191 12, 9 | 9 Gij waart niet onmachtig om de goddelozen
1192 18, 3 | 3 Waarvoor gij hun gaaft een vuurvlammige
1193 1, 11| 11 Wacht ulieden dan voor de onnutte
1194 8, 12| zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik zal spreken,
1195 11, 21| uwer kracht, als door een wan, maar gij hebt alle dingen
1196 19, 20| licht verderfelijke beesten, wandelende in het midden derzelve,
1197 2, 12| vanwege de zonden onzer wandeling.~
1198 1, 2 | verschijnt die, die hem niet wantrouwen.~
1199 5, 18| ijver nemen tot een gehele wapenrusting, en zijn schepselen wapenen
1200 19, 18| land-dieren veranderen in water-dieren, en die gemaakt waren om
1201 5, 10| varende door de baren des waters, waarvan, als het voorbij
1202 10, 4 | aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de
1203 16, 14| wederkeren, noch de ziel wederbrengen die weggenomen is.~
1204 2, 1 | wordt gekend, die uit de hel wedergekeerd is.~
1205 2, 14| is ons geworden tot een wederlegging onzer gedachten.~
1206 12, 17| uw macht volkomen is, en wederlegt de stoutheid in degenen
1207 10, 16| de dienaar des Heren, en wederstond de vreselijke koningen met
1208 19, 4 | vergetelheid der dingen die hun wedervaren waren, opdat zij vervullen
1209 2, 10| overweldigen, en laat ons de weduwen niet verschonen, en de grijze,
1210 11, 23| gelijk een aasje uit de weegschalen, en als een droppel van
1211 18, 25| 25 Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde
1212 2, 9 | ons overal merktekenen der weelde laten, want dit is ons deel,
1213 3, 7 | zij blinken, en over en weer lopen, gelijk de vonken
1214 17, 4 | niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten
1215 4, 11| 11 Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn
1216 16, 29| des winters valt, en zal wegvloeien gelijk onnut water.~
1217 15, 7 | pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt
1218 9, 10| dat ik mag verstaan, wat u welbehagelijk is.~
1219 7, 22| niet kan verhinderd worden, weldadig.~
1220 11, 6 | 6 Daardoor werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden;~
1221 5, 22| heengaan, en gelijk als van een welgespannen boog uit de wolken op het
1222 7, 2 | geronnen uit zaad eens mans, en wellust die daarbij komt met de
1223 5, 22| 22 De welmikkende pijlen der bliksemen zullen
1224 10, 21| der sprakelozen maakte zij welsprekend.~
1225 6, 24| wijs koning is des volks welstand.~
1226 2, 13| 13 Hij wendt voor dat hij kennis van
1227 7, 3 | eigenschappen met ons heeft; wenen is mijn eerste stem geweest,
1228 7, 26| onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en een beeld zijner
1229 13, 4 | geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken,
1230 7, 17| gestalte der wereld, en de werkingen der elementen.~
1231 5, 15| dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een
1232 12, 8 | hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te
1233 5, 11| worden, gaat de slag der wieken door de lichte geslagen
1234 2, 3 | wordt verspreid gelijk de wijde lucht.~
1235 1, 5 | onderwijzing vliedt de bedriegerij, wijkt af van de gedachten der
1236 2, 7 | opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der
1237 6, 24| behoudenis der wereld, en een wijs koning is des volks welstand.~
1238 13, 6 | zoekende die zij gaarne wilden vinden;~
1239 12, 6 | zielen ombrachten, hebt gij willen uitdelgen door de handen
1240 14, 19| 19 Want deze misschien willende de prins behagen, heeft
1241 7, 4 | 4 In windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~
1242 14, 2 | 2 Want de begeerte der winst heeft dat bedacht, en de
1243 16, 29| versmelten als een rijm die des winters valt, en zal wegvloeien
1244 5, 23| der zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen tezamen
1245 5, 22| welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen.~
1246 19, 8 | werden, en zagen wonderlijke wonderwerken.~
1247 1, 4 | ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden
1248 9, 8 | een altaar in de stad uwer woning, naar de gelijkheid van
1249 14, 17| te eren, omdat zij verre woonden, hebben zij hun aangezicht,
1250 7, 28| degene, die bij de wijsheid woont.~
1251 16, 16| en door het vuur verteerd wordende.~
1252 7, 20| planten, en de krachten der wortelen.~
1253 10, 14| macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft
1254 17, 19| of de stem der huilende wreedste dieren, of de weerklank
1255 12, 12| u kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige
1256 7, 22| rein, onbesmet, klaar, zacht, beminnende het goed, scherp,
1257 19, 7 | waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen,
1258 2, 7 | opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem der lente ga
1259 5, 2 | ontzetten over deze onvermeende zaligheid.~
1260 7, 9 | van haar is als een weinig zand, en zilver is als slijk
1261 15, 19| zijn de lof Gods en zijn zegen ontvloden.~
1262 2, 20| genomen worden, gelijk hij zegt.~
1263 19, 13| zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen, want
1264 12, 11| vrezende, gaaft gij hun zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~
1265 11, 18| geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of
1266 13, 15| gemaakt als het waardig is, zet hij het in de muur en maakt
1267 4, 3 | inwortelen, noch vaste grond zetten.~
1268 13, 1 | God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te
1269 17, 8 | verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk
1270 17, 8 | zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en beroertenis
1271 7, 23| alles vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige,
1272 10, 4 | 4 En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt
1273 15, 9 | arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers
1274 18, 9 | deelachtig zouden worden, zingende reeds tevoren de lof der
1275 9, 4 | wijsheid, die bij uw tronen zit, en verwerp mij niet uit
1276 6, 14| bij zijn poorten vinden zitten.~
1277 19, 16| duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur.~
1278 12, 26| hebben laten vermanen, zullen zodanig oordeel Gods beproeven,
1279 15, 6 | beminnaars van kwade dingen, en zodanige hoop waardig, zowel die
1280 5, 12| terstond weder tezamen loopt, zodat men zijn doorgang niet weet.~
1281 1, 1 | Here een goed gevoelen en zoekt hem in eenvoudigheid des
1282 16, 21| uw onderstutting maakt uw zoetigheid tegen uw kinderen openbaar,
1283 19, 12| straffen kwamen over de zondaars;~
1284 4, 10| bemind; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen.~
1285 10, 13| was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem
1286 15, 13| boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen
1287 12, 11| zekerheid in hetgeen waarin zij zondigden.~
1288 11, 17| erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd.~
1289 9, 7 | tot een rechter over uw zonen en dochteren.~
1290 7, 4 | windselen ben ik opgevoed en met zorgen.~
1291 12, 22| oordelende, uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar
1292 13, 13| ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld
1293 16, 18| de vlam, opdat zij niet zoude verbranden de beesten, die
1294 10, 7 | ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot gedachtenis
1295 13, 9 | 9 Want hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij
1296 15, 6 | en zodanige hoop waardig, zowel die hen maken, als die hen
1297 7, 25| der kracht Gods, en een zuivere uitvloeiing der heerlijkheid
1298 16, 11| een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet
1299 11, 7 | 7 Zulks dat in plaats van een fontein
1300 6, 11| verlangt daarnaar, en gij zult onderwezen worden.~
1301 17, 11| conscientie vermoedt altijd het zwaarste.~
1302 14, 31| kracht dergene bij welke men zweert, maar de wraak dergenen
1303 19, 18| die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde.~
1304 14, 29| verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.~
1305 8, 12| 12 Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten,
|