|
14
1
WEDEROM iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde baren
te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem
voert.
2
Want de begeerte der winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het
toebereid.
3
Maar uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want gij geeft ook in de zee een
weg, en in de baren een zeker pad.
4
Tonende dat gij uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst
daarin klimme.
5
Gij wilt niet dat de werken uwer wijsheid ledig zouden zijn, daarom vertrouwen
ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de baren,
worden door een schip behouden.
6
Want ook in het begin als de hovaardige reuzen vergingen, nam de hoop der
wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad der voortteling
na, zijnde bestuurd door uw hand.
7
Want gezegend is het hout, door hetwelk gerechtigheid geschiedt.
8
Maar dat met handen gemaakt is, hetzelve is vervloekt, en ook degene die het
gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het
verderfelijk zijnde, God genoemd wordt.
9
Want bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid.
10
En daarom zal hetgeen gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft
worden.
11
Daarom zullen ook de afgoden der heidenen bezocht worden, omdat zij onder de
schepselen Gods tot een gruwel geworden zijn, en de zielen der mensen tot
ergernissen, en de voeten der onwijzen tot een strik.
12
Want de bedenking der afgoden is het beginsel der hoererij; en hun uitvinding
de verderving des levens.
13
Want zij waren van den beginne niet, en zullen in der eeuwigheid niet zijn.
14
Want ijdele eer der mensen is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort
bedacht geworden.
15
Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was
afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was,
eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren,
godsdienstigheden en offeranden te plegen.
16
Daarna deze goddeloze gewoonte mettertijd de overhand genomen hebbende, is als
een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden der
tirannen geeerd geworden.
17
Welke, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij
verre woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en
hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met
vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig ware.
18
De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot
voortzetten van deze dienst der beelden.
19
Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door
zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken.
20
En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield
die voor God, welke weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden.
21
En dit is tot een lage geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval,
òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag
gemeen gemaakt worden.
22
Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook
levende in een grote strijd der onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog
vrede genoemd.
23
Want zij, of zij hun offeranden waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen
godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen.
24
Zo bewaren zij toch voorts niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf
de een brengt de ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel.
25
Maar het is al onder elkander vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog,
verderving, ontrouw, beroerte, meinedigheid, onrust der vromen;
26
Vergetelheid der weldadigheid, besmetting der zielen, verwisseling van het
geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid.
27
Want de dienst der afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het
beginsel, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad.
28
Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven
onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden.
29
Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij
niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden.
30
Doch zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een
kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij
onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten.
31
Want niet de kracht dergene bij welke men zweert, maar de wraak dergenen die
zondigen, komt altijd over de overtreding der onrechtvaardigen.
|