1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650
Chapter, Verse
1 1, 1 | wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~
2 1, 2 | Wie zal het zand der zee en de droppelen van de regen
3 1, 2 | de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?~
4 1, 3 | zal de hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en
5 1, 3 | en de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid
6 1, 3 | der aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?~
7 1, 4 | dan alle dingen geschapen, en het verstand der kloekheid
8 1, 5 | de fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige
9 1, 6 | wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken
10 1, 8 | zelf heeft haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft
11 1, 8 | geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld.~
12 1, 9 | 9 En heeft haar uitgegoten over
13 1, 9 | alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen
14 1, 10| vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, en
15 1, 10| des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, en een kroon
16 1, 10| en roem, en vrolijkheid, en een kroon der verheuging.~
17 1, 11| Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde,
18 1, 11| hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.~
19 1, 11| vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.~
20 1, 12| welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood
21 1, 13| wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen
22 1, 14| eeuwig fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden
23 1, 15| wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen dronken van
24 1, 16| met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~
25 1, 17| 17 En beide zijn het gaven Gods
26 1, 18| doende voort spruiten vrede en volkomen gezondheid, en
27 1, 18| en volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor
28 1, 19| wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand
29 1, 19| verstand uit als een plasregen en verhoogt de heerlijkheid
30 1, 20| wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang
31 1, 21| Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende keert zij toorn
32 1, 23| een tijdlang verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid
33 1, 26| wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~
34 1, 27| vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen
35 1, 27| Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof
36 1, 27| zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.~
37 1, 28| de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met een
38 1, 29| niet met monden der mensen: en neem acht op uw lippen.~
39 1, 30| niet, opdat gij niet valt, en schande brengt over uw ziel.~
40 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering
41 1, 32| met waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~
42 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast niet
43 2, 2 | Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als
44 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat
45 2, 4 | wat u zou mogen overkomen, en in de verandering van uw
46 2, 5 | wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven
47 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw
48 2, 6 | helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem.~
49 2, 7 | Here vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins
50 2, 8 | vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid.~
51 2, 8 | goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid.~
52 2, 9 | verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij
53 2, 10| Ziet de oude geslachten aan en merkt op.~
54 2, 11| heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd geworden?~
55 2, 12| is in zijn vreze gebleven en verlaten geworden? of wie
56 2, 12| wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?~
57 2, 13| de Here is een ontfermer en barmhartige, moedig en van
58 2, 13| ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid,
59 2, 13| barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~
60 2, 14| Wee de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar
61 2, 14| harten, en de slappe handen en de zondaar die twee paden
62 2, 18| niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen
63 2, 21| vrezen, bereiden hun harten, en vernederen hun zielen voor
64 2, 22| in de handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~
65 3, 1 | kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden
66 3, 2 | verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der
67 3, 4 | 4 En wie zijn moeder eert, is
68 3, 5 | zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds
69 3, 6 | vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is,
70 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken en woorden,~
71 3, 8 | vader en moeder met werken en woorden,~
72 3, 12| uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer
73 3, 13| vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~
74 3, 14| houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen
75 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult
76 3, 18| gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn
77 3, 19| uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename
78 3, 20| verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade
79 3, 21| 21 Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen
80 3, 22| macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen
81 3, 23| onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast
82 3, 26| ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft
83 3, 26| het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt,
84 3, 27| het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft
85 3, 28| bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden,
86 3, 30| verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders
87 3, 31| het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent
88 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden
89 3, 32| deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn
90 4, 1 | armen geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen
91 4, 2 | de hongerige ziel niet, en stel niemand uit zijn behoefte.~
92 4, 3 | verstoord hart niet verder, en onthoud de gave des behoeftigen
93 4, 4 | verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet
94 4, 5 | behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te
95 4, 7 | lieftallig in de vergadering, en verneder uw hoofd voor een
96 4, 8 | arme, zonder droefheid; en antwoord hem vreedzaam met
97 4, 9 | van hem die onrecht doet, en zijt niet kleinmoedig als
98 4, 10| de wezen als een vader, en hun moeder in plaats van
99 4, 11| 11 En gij zult zijn gelijk een
100 4, 11| zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen
101 4, 12| verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar
102 4, 13| die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot
103 4, 14| vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal
104 4, 15| zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft
105 4, 16| zal de volken richten; en die op haar acht neemt,
106 4, 17| zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen
107 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem
108 4, 19| zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar
109 4, 19| ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door
110 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem
111 4, 20| keren door een rechte weg en hem verheugen;~
112 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen
113 4, 22| zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen
114 4, 23| gelegenheid des tijds waar, en wacht u van het boze.~
115 4, 24| 24 En word niet beschaamd voor
116 4, 25| beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid,
117 4, 25| een beschaamdheid, die eer en gunst brengt.~
118 4, 26| niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood in
119 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet
120 4, 29| het woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden
121 4, 30| niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de
122 4, 31| niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed des strooms
123 4, 32| uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen
124 4, 33| waarheid tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~
125 4, 34| niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~
126 4, 34| stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~
127 4, 35| als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als
128 4, 36| uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen getrokken in het
129 5, 1 | HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam
130 5, 4 | niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied?
131 5, 6 | 6 En zeg niet: Zijn ontferming
132 5, 7 | 7 Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten,
133 5, 7 | toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn
134 5, 8 | tot de Here te bekeren, en stel het niet uit dag op
135 5, 9 | zal schielijk uitvaren, en als gij onbezorgd zult zijn
136 5, 9 | zult gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~
137 5, 11| Wan niet in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad,
138 5, 12| zo blijf vast daarbij, en uw woord zij enerlei.~
139 5, 13| ras om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid, en
140 5, 13| en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord
141 5, 14| zo antwoord uw naasten; en indien niet, zo zij uw hand
142 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken,
143 5, 15| oneer is in het spreken, en des mensen tong brengt hem
144 5, 16| u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~
145 5, 17| schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis
146 6, 1 | een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal
147 6, 2 | gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.~
148 6, 3 | zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en
149 6, 3 | en uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre
150 6, 4 | verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden
151 6, 5 | vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt
152 6, 7 | krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet
153 6, 8 | vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de
154 6, 9 | veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met
155 6, 10| om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de
156 6, 11| gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal
157 6, 12| zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht
158 6, 13| Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~
159 6, 14| een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft,
160 6, 15| tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner
161 6, 16| een medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen
162 6, 18| onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren toe
163 6, 19| 19 En verbeid haar goede vruchten.~
164 6, 20| weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar
165 6, 21| rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet
166 6, 22| harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar
167 6, 23| gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~
168 6, 24| 24 Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en
169 6, 24| en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet;~
170 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar
171 6, 25| uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~
172 6, 26| uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer
173 6, 26| onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen
174 6, 27| haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel
175 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij zal u
176 6, 28| Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden,
177 6, 28| zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden
178 6, 29| zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging
179 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn
180 6, 30| een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een
181 6, 31| gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten
182 6, 32| als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten
183 6, 33| zult gij onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe
184 6, 34| zult gij verstand krijgen, en indien gij uw oor zult neigen,
185 6, 35| onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang
186 6, 35| Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het
187 6, 36| des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig
188 6, 37| geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen,
189 6, 37| hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal
190 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
191 7, 2 | af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~
192 7, 4 | Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke
193 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij
194 7, 6 | aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw
195 7, 7 | tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder
196 7, 9 | menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste
197 7, 10| kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te
198 7, 11| daar is een die vernedert en verhoogt.~
199 7, 12| leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken
200 7, 14| in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet
201 7, 15| de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de
202 7, 17| des goddelozen zal vuur en worm zijn.~
203 7, 19| ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid
204 7, 21| verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid
205 7, 22| zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het
206 7, 23| kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd
207 7, 24| neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet
208 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk
209 7, 25| groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig
210 7, 26| hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate
211 7, 27| vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten
212 7, 28| hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor
213 7, 29| Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde;
214 7, 29| degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.~
215 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~
216 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk
217 7, 32| Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~
218 7, 33| 33 En de gaven der schouderen,
219 7, 33| de gaven der schouderen, en de offerande der heiliging,
220 7, 33| offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige
221 7, 34| 34 En steek uw hand uit tot de
222 7, 35| aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de
223 7, 36| Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.~
224 7, 38| gedenk aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid
225 8, 3 | goud heeft velen verdorven, en heeft de harten der koningen
226 8, 4 | met een klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn vuur.~
227 8, 9 | de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~
228 8, 12| zult gij verstand leren, en hoe gij in de tijd als het
229 8, 15| die machtiger is dan gij, en indien gij hem wat geleend
230 8, 16| borg boven uw vermogen, en indien gij borg geworden
231 8, 18| zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas
232 8, 19| strijd met een toornige, en ga niet met hem door de
233 8, 19| het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar
234 8, 22| hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~
235 9, 1 | de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen
236 9, 7 | in de straten der stad, en dwaal niet om in de woeste
237 9, 8 | af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid.~
238 9, 9 | velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde
239 9, 9 | als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar
240 9, 10| getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~
241 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar
242 9, 11| uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt
243 9, 16| macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods
244 9, 17| 17 En indien gij tot hem komt
245 9, 18| midden der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~
246 9, 19| naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen;
247 9, 19| spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij
248 9, 20| mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de
249 9, 21| een werk geprezen worden, en een wijs voorganger des
250 9, 22| verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in
251 10, 1 | rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen
252 10, 2 | zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der
253 10, 4 | is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over
254 10, 5 | is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden
255 10, 6 | naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke
256 10, 7 | Hovaardigheid is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide
257 10, 7 | hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de
258 10, 8 | vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen,
259 10, 8 | ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog
260 10, 8 | verhovaardigt zich toch aarde en as?~
261 10, 11| houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning,
262 10, 11| heden is iemand koning, en morgen zal hij sterven.~
263 10, 12| zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.~
264 10, 12| kruipende en wild gedierte en wormen.~
265 10, 13| mens van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene
266 10, 14| een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die
267 10, 15| straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.~
268 10, 16| regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun
269 10, 17| der hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun
270 10, 18| volken keert de Here om, en verderft ze tot op de grond
271 10, 19| heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven.~
272 10, 20| 20 En heeft hun gedachtenis doen
273 10, 22| vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke
274 10, 23| geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden
275 10, 24| het lot, maar hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping
276 10, 25| 25 De roem eens rijken, en heerlijken, en armen, is
277 10, 25| eens rijken, en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~
278 10, 26| onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men
279 10, 27| 27 De groten, en de rechters, en de machtigen
280 10, 27| groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd,
281 10, 28| zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal
282 10, 29| zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer
283 10, 30| beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft,
284 10, 30| heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.~
285 10, 31| door uw zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar
286 10, 32| tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn
287 10, 33| vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt
288 10, 34| te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd
289 11, 1 | zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten
290 11, 2 | vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand,
291 11, 3 | de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste
292 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid
293 11, 4 | zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen
294 11, 5 | hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht
295 11, 6 | grotelijks onteerd geworden, en vele heerlijke lieden zijn
296 11, 7 | onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.~
297 11, 8 | niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden
298 11, 9 | zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht
299 11, 10| zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo
300 11, 10| zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden
301 11, 11| Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast,
302 11, 11| moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch
303 11, 11| arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.~
304 11, 12| ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede,
305 11, 12| hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op
306 11, 12| Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~
307 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van het
308 11, 13| hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende,
309 11, 14| 14 Goede en kwade dingen, leven en dood,
310 11, 14| Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom
311 11, 14| leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.~
312 11, 15| 15 Wijsheid en wetenschap, en kennis der
313 11, 15| Wijsheid en wetenschap, en kennis der wet is van de
314 11, 15| wet is van de Here; liefde en wegen der goede werken zijn
315 11, 16| 16 Dwaling en duisternis zijn met de zondaren
316 11, 16| met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen,
317 11, 17| blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig
318 11, 18| wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is
319 11, 18| opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van
320 11, 19| goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem
321 11, 19| tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten
322 11, 19| hij zal ze anderen nalaten en sterven.~
323 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word
324 11, 20| verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk.~
325 11, 21| maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~
326 11, 22| ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk
327 11, 23| loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij
328 11, 24| ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan
329 11, 25| Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel,
330 11, 25| hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in
331 11, 26| dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt
332 11, 28| men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens
333 11, 31| het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die
334 11, 33| gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar
335 11, 35| vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren,
336 11, 35| u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen
337 12, 1 | weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor uw weldaden
338 12, 2 | wel aan de godvrezende, en gij zult vergelding vinden,
339 12, 2 | zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers
340 12, 4 | Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~
341 12, 5 | 5 Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet.
342 12, 5 | niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij
343 12, 6 | Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken,
344 12, 6 | Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~
345 12, 7 | vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen
346 12, 8 | zijn vijanden in droefheid, en als het hem kwalijk gaat,
347 12, 11| hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf,
348 12, 11| gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij
349 12, 11| uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die
350 12, 11| spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat
351 12, 12| zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde,
352 12, 12| uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden
353 12, 12| mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken
354 12, 13| van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde
355 12, 13| ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~
356 12, 14| blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt uitwijken,
357 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn
358 12, 16| zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd
359 12, 17| eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens
360 12, 18| zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en
361 12, 18| en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht
362 12, 18| klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.~ ~ ~
363 13, 1 | wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap
364 13, 2 | last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met
365 13, 2 | met degene, die sterker en rijker is dan gij.~
366 13, 3 | deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld
367 13, 4 | Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme
368 13, 4 | een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~
369 13, 6 | zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf
370 13, 6 | leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~
371 13, 7 | zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop
372 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal
373 13, 7 | zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?~
374 13, 8 | tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u
375 13, 8 | laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien,
376 13, 8 | daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn
377 13, 8 | aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~
378 13, 10| 10 En niet vernederd wordt in
379 13, 11| nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer
380 13, 11| hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.~
381 13, 12| der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af,
382 13, 13| niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden
383 13, 13| spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw
384 13, 14| zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen
385 13, 14| hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.~
386 13, 15| 15 Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij
387 13, 17| Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~
388 13, 18| heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste
389 13, 19| zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke
390 13, 21| hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke
391 13, 26| Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe;
392 13, 26| verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats.~
393 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen
394 13, 27| spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan
395 13, 28| 28 De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en
396 13, 28| en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men
397 13, 29| bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de
398 13, 30| ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende
399 13, 31| hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen
400 14, 1 | niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt
401 14, 2 | zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn
402 14, 3 | voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig
403 14, 4 | vergadert voor anderen, en vreemden zullen van zijn
404 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner
405 14, 7 | hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn
406 14, 8 | het aangezicht afwendt, en veracht de zielen.~
407 14, 9 | met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de
408 14, 10| oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.~
409 14, 11| goed naar dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden
410 14, 12| dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is
411 14, 13| vriend goed, eer gij sterft, en strek naar uw vermogen uw
412 14, 13| uw vermogen uw hand uit en geef hem.~
413 14, 14| uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede
414 14, 15| een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling
415 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig uw ziel.~
416 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig uw ziel.~
417 14, 19| boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten;
418 14, 19| het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft
419 14, 19| het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.~
420 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal
421 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van
422 14, 22| haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.~
423 14, 23| haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,~
424 14, 24| haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal
425 14, 25| in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen
426 14, 25| onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij
427 14, 26| beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal
428 15, 1 | Here vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen
429 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij
430 15, 2 | zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij
431 15, 3 | met brood des verstands, en met water der wijsheid zal
432 15, 4 | op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij
433 15, 4 | worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden,
434 15, 4 | zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.~
435 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven
436 15, 5 | verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden der
437 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon der verheuging
438 15, 6 | kroon der verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige
439 15, 8 | verre van hovaardigheid, en leugenaars gedenken aan
440 15, 10| zal lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig
441 15, 13| Here haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen
442 15, 14| beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns
443 15, 15| 15 En heeft gezegd: Indien gij
444 15, 15| gij zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen
445 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek
446 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de mens,
447 15, 17| dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen zal,
448 15, 18| is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht,
449 15, 18| hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.~
450 15, 19| 19 En zijn ogen zijn op degenen
451 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van
452 15, 20| geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof gegeven
453 16, 1 | onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze
454 16, 2 | Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.~
455 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen
456 16, 6 | dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen
457 16, 7 | vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest
458 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd
459 16, 11| harten, door ontferming en kastijding behouden, geselende,
460 16, 12| 12 Want ontferming en toorn is bij hem; hij is
461 16, 12| haastig verzoend wordt, en toorn uitstort.~
462 16, 14| ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige
463 16, 15| alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis
464 16, 15| openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden
465 16, 16| voor de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken
466 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels,
467 16, 18| hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin
468 16, 18| de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen
469 16, 18| ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~
470 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten der aarde
471 16, 20| 20 En het hart overdenkt deze
472 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken?
473 16, 21| welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken
474 16, 22| Want het verbond is verre, en onderzoeking aller dingen
475 16, 24| 24 Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap, en let
476 16, 24| kind en leer wetenschap, en let met uw hart op mijn
477 16, 25| tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen
478 16, 26| zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn,
479 16, 27| hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest
480 16, 27| geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van
481 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen
482 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op
483 16, 29| de Here op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn
484 16, 30| leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~
485 17, 1 | mens uit aarde geschapen, en heeft hem weder in dezelve
486 17, 2 | hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven,
487 17, 2 | een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven
488 17, 3 | sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld
489 17, 4 | vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen
490 17, 4 | zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.~
491 17, 5 | 5 En voor het zesde heeft hij
492 17, 5 | uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak,
493 17, 6 | heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en
494 17, 6 | hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart
495 17, 6 | en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen;
496 17, 6 | verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad
497 17, 6 | vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~
498 17, 8 | 8 En de uitverkorenen zullen
499 17, 9 | nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot
500 17, 10| heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.~
1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650 |