Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elkeen 1
elleboog 1
ellendig 1
en 1650
ene 11
ener 2
enerlei 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
1650 en
1476 de
828 een
692 zijn

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650

     Chapter, Verse
1 1, 1 | wijsheid is van de Here, en is met hem in der eeuwigheid.~ 2 1, 2 | Wie zal het zand der zee en de droppelen van de regen 3 1, 2 | de droppelen van de regen en de dagen der eeuwen tellen?~ 4 1, 3 | zal de hoogte des hemels, en de breedte der aarde, en 5 1, 3 | en de breedte der aarde, en de afgrond, en de wijsheid 6 1, 3 | der aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren?~ 7 1, 4 | dan alle dingen geschapen, en het verstand der kloekheid 8 1, 5 | de fontein der wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige 9 1, 6 | wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken 10 1, 8 | zelf heeft haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft 11 1, 8 | geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld.~ 12 1, 9 | 9 En heeft haar uitgegoten over 13 1, 9 | alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen 14 1, 10| vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, en 15 1, 10| des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid, en een kroon 16 1, 10| en roem, en vrolijkheid, en een kroon der verheuging.~ 17 1, 11| Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, 18 1, 11| hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.~ 19 1, 11| vrolijkheid en vreugde, en een lang leven.~ 20 1, 12| welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood 21 1, 13| wijsheid is de Here vrezen, en zij is met de gelovigen 22 1, 14| eeuwig fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden 23 1, 15| wijsheid is de Here vrezen, en zij maakt hen dronken van 24 1, 16| met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas;~ 25 1, 17| 17 En beide zijn het gaven Gods 26 1, 18| doende voort spruiten vrede en volkomen gezondheid, en 27 1, 18| en volkomen gezondheid, en de roem verbreidt hem voor 28 1, 19| wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand 29 1, 19| verstand uit als een plasregen en verhoogt de heerlijkheid 30 1, 20| wijsheid is de Here vrezen, en haar takken zijn een lang 31 1, 21| Heren verdrijft de misdaden, en bijblijvende keert zij toorn 32 1, 23| een tijdlang verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid 33 1, 26| wijsheid, zo bewaar de geboden, en de Here zal u deze verlenen,~ 34 1, 27| vreze des Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen 35 1, 27| Heren is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof 36 1, 27| zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid.~ 37 1, 28| de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem met een 38 1, 29| niet met monden der mensen: en neem acht op uw lippen.~ 39 1, 30| niet, opdat gij niet valt, en schande brengt over uw ziel.~ 40 1, 31| verborgen dingen openbaren, en u in het midden der vergadering 41 1, 32| met waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~ 42 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast niet 43 2, 2 | Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als 44 2, 3 | 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat 45 2, 4 | wat u zou mogen overkomen, en in de verandering van uw 46 2, 5 | wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven 47 2, 6 | 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw 48 2, 6 | helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem.~ 49 2, 7 | Here vreest, gelooft hem, en uw loon zal u geenszins 50 2, 8 | vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid.~ 51 2, 8 | goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid.~ 52 2, 9 | verbiedt zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat gij 53 2, 10| Ziet de oude geslachten aan en merkt op.~ 54 2, 11| heeft op de Here betrouwd, en is beschaamd geworden?~ 55 2, 12| is in zijn vreze gebleven en verlaten geworden? of wie 56 2, 12| wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht?~ 57 2, 13| de Here is een ontfermer en barmhartige, moedig en van 58 2, 13| ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, 59 2, 13| barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd der verdrukking.~ 60 2, 14| Wee de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar 61 2, 14| harten, en de slappe handen en de zondaar die twee paden 62 2, 18| niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen 63 2, 21| vrezen, bereiden hun harten, en vernederen hun zielen voor 64 2, 22| in de handen Gods vallen, en niet in de handen der mensen.~ 65 3, 1 | kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat gij behouden 66 3, 2 | verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel der 67 3, 4 | 4 En wie zijn moeder eert, is 68 3, 5 | zijn kinderen verheugen, en zal in de dag zijns gebeds 69 3, 6 | vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, 70 3, 8 | 8 Eer uw vader en moeder met werken en woorden,~ 71 3, 8 | vader en moeder met werken en woorden,~ 72 3, 12| uit de eer zijns vaders, en een moeder die in oneer 73 3, 13| vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven.~ 74 3, 14| houd hem dat ten goede, en wacht u met al uw vermogen 75 3, 16| 16 En in plaats der zonden zult 76 3, 18| gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn 77 3, 19| uit met zachtmoedigheid, en gij zult door aangename 78 3, 20| verneder uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade 79 3, 21| 21 Velen zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen 80 3, 22| macht des Heren is groot, en wordt door de nederigen 81 3, 23| onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast 82 3, 26| ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft 83 3, 26| het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, 84 3, 27| het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft 85 3, 28| bezwaard worden met moeite, en de zon daar zal zonden, 86 3, 30| verstandigen denkt op gelijkenis, en het oor des toehoorders 87 3, 31| het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent 88 3, 32| 32 En de Here, die de weldaden 89 3, 32| deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn 90 4, 1 | armen geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen 91 4, 2 | de hongerige ziel niet, en stel niemand uit zijn behoefte.~ 92 4, 3 | verstoord hart niet verder, en onthoud de gave des behoeftigen 93 4, 4 | verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet 94 4, 5 | behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te 95 4, 7 | lieftallig in de vergadering, en verneder uw hoofd voor een 96 4, 8 | arme, zonder droefheid; en antwoord hem vreedzaam met 97 4, 9 | van hem die onrecht doet, en zijt niet kleinmoedig als 98 4, 10| de wezen als een vader, en hun moeder in plaats van 99 4, 11| 11 En gij zult zijn gelijk een 100 4, 11| zoon des Allerhoogsten, en hij zal u meer beminnen 101 4, 12| verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar 102 4, 13| die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot 103 4, 14| vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal 104 4, 15| zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft 105 4, 16| zal de volken richten; en die op haar acht neemt, 106 4, 17| zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen 107 4, 19| 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem 108 4, 19| zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar 109 4, 19| ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door 110 4, 20| 20 En zij zal wederom tot hem 111 4, 20| keren door een rechte weg en hem verheugen;~ 112 4, 21| 21 En zal hem haar verborgen dingen 113 4, 22| zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen 114 4, 23| gelegenheid des tijds waar, en wacht u van het boze.~ 115 4, 24| 24 En word niet beschaamd voor 116 4, 25| beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, 117 4, 25| een beschaamdheid, die eer en gunst brengt.~ 118 4, 26| niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood in 119 4, 28| 28 En verberg uw wijsheid niet 120 4, 29| het woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden 121 4, 30| niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de 122 4, 31| niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed des strooms 123 4, 32| uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon des machtigen 124 4, 33| waarheid tot in de dood, en God de Here zal voor u strijden.~ 125 4, 34| niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~ 126 4, 34| stout met uw tong, en lui en slap in uw werken.~ 127 4, 35| als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als 128 4, 36| uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen getrokken in het 129 5, 1 | HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam 130 5, 4 | niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij geschied? 131 5, 6 | 6 En zeg niet: Zijn ontferming 132 5, 7 | 7 Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, 133 5, 7 | toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn 134 5, 8 | tot de Here te bekeren, en stel het niet uit dag op 135 5, 9 | zal schielijk uitvaren, en als gij onbezorgd zult zijn 136 5, 9 | zult gij vermorzeld worden, en in de tijd der wraak verderven.~ 137 5, 11| Wan niet in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, 138 5, 12| zo blijf vast daarbij, en uw woord zij enerlei.~ 139 5, 13| ras om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid, en 140 5, 13| en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord 141 5, 14| zo antwoord uw naasten; en indien niet, zo zij uw hand 142 5, 15| 15 Eer en oneer is in het spreken, 143 5, 15| oneer is in het spreken, en des mensen tong brengt hem 144 5, 16| u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen lagen.~ 145 5, 17| schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis 146 6, 1 | een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal 147 6, 2 | gelijk een stier herwaarts en derwaarts gescheurd worde.~ 148 6, 3 | zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en 149 6, 3 | en uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre 150 6, 4 | verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden 151 6, 5 | vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt 152 6, 7 | krijg hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet 153 6, 8 | vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de 154 6, 9 | veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met 155 6, 10| om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de 156 6, 11| gaat zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal 157 6, 12| zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht 158 6, 13| Scheid u af van uw vijanden, en wacht u voor uw vrienden.~ 159 6, 14| een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, 160 6, 15| tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner 161 6, 16| een medicijn des levens, en die de Here vrezen zullen 162 6, 18| onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haren toe 163 6, 19| 19 En verbeid haar goede vruchten.~ 164 6, 20| weinig vermoeid worden, en haast zult gij van haar 165 6, 21| rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet 166 6, 22| harde steen der beproeving, en hij zal niet vertoeven haar 167 6, 23| gelijk haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar.~ 168 6, 24| 24 Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en 169 6, 24| en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet;~ 170 6, 25| 25 En steek uw voeten in haar 171 6, 25| uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer.~ 172 6, 26| uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt harer 173 6, 26| onder haar, en draag haar, en wordt harer banden geen 174 6, 27| haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel 175 6, 28| 28 Speur haar na en zoek haar, en zij zal u 176 6, 28| Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, 177 6, 28| zij zal u bekend worden, en als gij haar machtig geworden 178 6, 29| zult gij haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging 179 6, 30| 30 En haar boeien zullen u zijn 180 6, 30| een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een 181 6, 31| gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten 182 6, 32| als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten 183 6, 33| zult gij onderwezen worden, en indien gij uw ziel daartoe 184 6, 34| zult gij verstand krijgen, en indien gij uw oor zult neigen, 185 6, 35| onder de menigte der ouden, en is er iemand wijs, hang 186 6, 35| Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het 187 6, 36| des morgens vroeg tot hem, en uw voet betrede gestadig 188 6, 37| geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd in zijn bevelen, 189 6, 37| hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal 190 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~ 191 7, 2 | af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken.~ 192 7, 4 | Here geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke 193 7, 5 | Rechtvaardig u niet voor de Here, en houd u niet voor wijs bij 194 7, 6 | aangezicht des machtigen vreest, en een aanstoot legt in uw 195 7, 7 | tegen de menigte der stad, en begeef uzelf niet onder 196 7, 9 | menigte mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste 197 7, 10| kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet aalmoezen te 198 7, 11| daar is een die vernedert en verhoogt.~ 199 7, 12| leugen tegen uw broeder, en doe uw vriend desgelijken 200 7, 14| in de menigte der ouden, en wederhaal uw woord niet 201 7, 15| de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de 202 7, 17| des goddelozen zal vuur en worm zijn.~ 203 7, 19| ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid 204 7, 21| verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid 205 7, 22| zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het 206 7, 23| kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd 207 7, 24| neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet 208 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk 209 7, 25| groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig 210 7, 26| hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate 211 7, 27| vader van ganser harte, en vergeet niet de smarten 212 7, 28| hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor 213 7, 29| Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters in waarde; 214 7, 29| degene die u gemaakt heeft, en verlaat zijn dienaars niet.~ 215 7, 30| 30 Vrees de Here, en eer de priester.~ 216 7, 31| 31 En geef hem zijn deel, gelijk 217 7, 32| Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer,~ 218 7, 33| 33 En de gaven der schouderen, 219 7, 33| de gaven der schouderen, en de offerande der heiliging, 220 7, 33| offerande der heiliging, en de eerstelingen der heilige 221 7, 34| 34 En steek uw hand uit tot de 222 7, 35| aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de 223 7, 36| Onttrek u niet van de wenende, en treur met degenen die treuren.~ 224 7, 38| gedenk aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid 225 8, 3 | goud heeft velen verdorven, en heeft de harten der koningen 226 8, 4 | met een klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn vuur.~ 227 8, 9 | de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken.~ 228 8, 12| zult gij verstand leren, en hoe gij in de tijd als het 229 8, 15| die machtiger is dan gij, en indien gij hem wat geleend 230 8, 16| borg boven uw vermogen, en indien gij borg geworden 231 8, 18| zal naar zijn wil doen, en gij zoudt door zijn dwaas 232 8, 19| strijd met een toornige, en ga niet met hem door de 233 8, 19| het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar 234 8, 22| hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~ 235 9, 1 | de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen 236 9, 7 | in de straten der stad, en dwaal niet om in de woeste 237 9, 8 | af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid.~ 238 9, 9 | velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde 239 9, 9 | als een vuur aangestoken, en leg u niet neder met haar 240 9, 10| getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~ 241 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar 242 9, 11| uw ziel tot haar neigt, en gij met uw geest niet valt 243 9, 16| macht heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods 244 9, 17| 17 En indien gij tot hem komt 245 9, 18| midden der strikken doorgaat, en op de tinnen der stad wandelt.~ 246 9, 19| naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; 247 9, 19| spreek met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij 248 9, 20| mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de 249 9, 21| een werk geprezen worden, en een wijs voorganger des 250 9, 22| verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in 251 10, 1 | rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij des verstandigen 252 10, 2 | zijn ook zijn dienaars; en gelijk de voorganger der 253 10, 4 | is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd over 254 10, 5 | is des mensen voorspoed, en op het aangezicht des schriftgeleerden 255 10, 6 | naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke 256 10, 7 | Hovaardigheid is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide 257 10, 7 | hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de 258 10, 8 | vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, 259 10, 8 | ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog 260 10, 8 | verhovaardigt zich toch aarde en as?~ 261 10, 11| houdt een lange ziekte af, en heden is iemand koning, 262 10, 11| heden is iemand koning, en morgen zal hij sterven.~ 263 10, 12| zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen.~ 264 10, 12| kruipende en wild gedierte en wormen.~ 265 10, 13| mens van de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene 266 10, 14| een beginsel der zonde, en die daarbij blijft, die 267 10, 15| straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd.~ 268 10, 16| regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun 269 10, 17| der hovaardige volken uit, en plant de nederigen in hun 270 10, 18| volken keert de Here om, en verderft ze tot op de grond 271 10, 19| heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven.~ 272 10, 20| 20 En heeft hun gedachtenis doen 273 10, 22| vrezen zijn een gewis zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke 274 10, 23| geëerd, die hun leidsman is, en die de Here vrezen worden 275 10, 24| het lot, maar hardigheid en hovaardigheid is een wegwerping 276 10, 25| 25 De roem eens rijken, en heerlijken, en armen, is 277 10, 25| eens rijken, en heerlijken, en armen, is de vreze des Heren.~ 278 10, 26| onteert die verstandig is, en het betaamt niet dat men 279 10, 27| 27 De groten, en de rechters, en de machtigen 280 10, 27| groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd, 281 10, 28| zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal 282 10, 29| zijn als gij uw werk doet, en poch niet in de tijd uwer 283 10, 30| beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, 284 10, 30| heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft.~ 285 10, 31| door uw zachtmoedigheid, en geeft haar eer naar haar 286 10, 32| tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn 287 10, 33| vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt 288 10, 34| te meer ook in rijk dom. En die in rijkdom ongeëerd 289 11, 1 | zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden der groten 290 11, 2 | vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, 291 11, 3 | de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste 292 11, 4 | klederen die gij aandoet, en in de dag der heerlijkheid 293 11, 4 | zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen 294 11, 5 | hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht 295 11, 6 | grotelijks onteerd geworden, en vele heerlijke lieden zijn 296 11, 7 | onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan.~ 297 11, 8 | niet eer gij gehoord hebt, en in het midden der woorden 298 11, 9 | zaak die u niet aangaat; en zit niet bij in het gericht 299 11, 10| zult niet onschuldig zijn; en indien gij ze najaagt, zo 300 11, 10| zult gij ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden 301 11, 11| Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, 302 11, 11| moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch 303 11, 11| arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek.~ 304 11, 12| ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, 305 11, 12| hij heeft grote armoede, en het oog des Heren ziet op 306 11, 12| Heren ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~ 307 11, 13| 13 En verheft zijn hoofd van het 308 11, 13| hoofd van het verderven; en velen dat aan schouwende, 309 11, 14| 14 Goede en kwade dingen, leven en dood, 310 11, 14| Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom 311 11, 14| leven en dood, armoede en rijkdom zijn van de Here.~ 312 11, 15| 15 Wijsheid en wetenschap, en kennis der 313 11, 15| Wijsheid en wetenschap, en kennis der wet is van de 314 11, 15| wet is van de Here; liefde en wegen der goede werken zijn 315 11, 16| 16 Dwaling en duisternis zijn met de zondaren 316 11, 16| met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, 317 11, 17| blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig 318 11, 18| wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is 319 11, 18| opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van 320 11, 19| goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem 321 11, 19| tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten 322 11, 19| hij zal ze anderen nalaten en sterven.~ 323 11, 20| 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word 324 11, 20| verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk.~ 325 11, 21| maar vertrouw de Here, en blijf in uw arbeid.~ 326 11, 22| ogen des Heren licht, snel en onvoorziens een arme rijk 327 11, 23| loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet hij 328 11, 24| ik van node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan 329 11, 25| Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, 330 11, 25| hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in 331 11, 26| dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt 332 11, 28| men de wellust vergeet, en aan het einde van de mens 333 11, 31| het hart des hovaardigen, en gelijk een bespieden die 334 11, 33| gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar 335 11, 35| vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, 336 11, 35| u door onrust verstoren, en zal u van enige uwer eigen 337 12, 1 | weet aan wie gij het doet, en gij zult dank voor uw weldaden 338 12, 2 | wel aan de godvrezende, en gij zult vergelding vinden, 339 12, 2 | zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers 340 12, 4 | Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan.~ 341 12, 5 | 5 Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. 342 12, 5 | niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij 343 12, 6 | Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal hij wreken, 344 12, 6 | Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan.~ 345 12, 7 | vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen 346 12, 8 | zijn vijanden in droefheid, en als het hem kwalijk gaat, 347 12, 11| hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, 348 12, 11| gekromd gaan, bedwing uzelf, en wacht u van hem, en gij 349 12, 11| uzelf, en wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die 350 12, 11| spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat 351 12, 12| zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, 352 12, 12| uw zitplaats in te nemen, en gij ten laatste mijn woorden 353 12, 12| mijn woorden gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken 354 12, 13| van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde 355 12, 13| ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden.~ 356 12, 14| blijven in een gerechte staat, en indien gij zoudt uitwijken, 357 12, 15| 15 En de vijand zal wel met zijn 358 12, 16| zijn ogen zal hij wenen, en indien hij gelegen tijd 359 12, 17| eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens 360 12, 18| zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en 361 12, 18| en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht 362 12, 18| klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen.~ ~ ~ 363 13, 1 | wordt daarmede besmet, en die met de hovaardige gemeenschap 364 13, 2 | last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met 365 13, 2 | met degene, die sterker en rijker is dan gij.~ 366 13, 3 | deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld 367 13, 4 | Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme 368 13, 4 | een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd.~ 369 13, 6 | zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf 370 13, 6 | leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden.~ 371 13, 7 | zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop 372 13, 7 | bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal 373 13, 7 | zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?~ 374 13, 8 | tot twee of driemaal toe, en op het laatste zal hij u 375 13, 8 | laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, 376 13, 8 | daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn 377 13, 8 | aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden.~ 378 13, 10| 10 En niet vernederd wordt in 379 13, 11| nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer 380 13, 11| hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden.~ 381 13, 12| der zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, 382 13, 13| niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden 383 13, 13| spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw 384 13, 14| zijn woorden niet houdt, en hij zal geenszins plagen 385 13, 14| hij zal geenszins plagen en banden aan u sparen.~ 386 13, 15| 15 Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als gij 387 13, 17| Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot uw behoudenis.~ 388 13, 18| heeft zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste 389 13, 19| zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijns gelijke 390 13, 21| hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke 391 13, 26| Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; 392 13, 26| verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats.~ 393 13, 27| 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen 394 13, 27| spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan 395 13, 28| 28 De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en 396 13, 28| en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, men 397 13, 29| bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de 398 13, 30| ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende 399 13, 31| hart dat wel gesteld is, en vinding der gelijkenissen 400 14, 1 | niet feilt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt 401 14, 2 | zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn 402 14, 3 | voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig 403 14, 4 | vergadert voor anderen, en vreemden zullen van zijn 404 14, 6 | zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding zijner 405 14, 7 | hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn 406 14, 8 | het aangezicht afwendt, en veracht de zielen.~ 407 14, 9 | met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de 408 14, 10| oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel.~ 409 14, 11| goed naar dat gij vermoogt, en breng de Here offeranden 410 14, 12| dood niet zal vertoeven, en het verbond des grafs is 411 14, 13| vriend goed, eer gij sterft, en strek naar uw vermogen uw 412 14, 13| uw vermogen uw hand uit en geef hem.~ 413 14, 14| uzelf niet van de goede dag, en laat het deel der goede 414 14, 15| een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling 415 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig uw ziel.~ 416 14, 16| 16 Geef en neem, en heilig uw ziel.~ 417 14, 19| boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; 418 14, 19| het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft 419 14, 19| het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren.~ 420 14, 20| onderworpen is, bezwijkt, en die het gewrocht heeft zal 421 14, 21| betracht hetgeen eerlijk is, en die met zijn verstand van 422 14, 22| haar gelijk een naspeurder, en loer op haar wegen.~ 423 14, 23| haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort,~ 424 14, 24| haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal 425 14, 25| in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen 426 14, 25| onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij 427 14, 26| beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal 428 15, 1 | Here vreest zal zulks doen en die de kennis der wet verkregen 429 15, 2 | 2 En gelijk een moeder zal zij 430 15, 2 | zal zij hem tegemoet gaan, en gelijk een vrouw die hij 431 15, 3 | met brood des verstands, en met water der wijsheid zal 432 15, 4 | op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij 433 15, 4 | worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, 434 15, 4 | zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden.~ 435 15, 5 | 5 En zij zal hem verhogen boven 436 15, 5 | verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden der 437 15, 6 | 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon der verheuging 438 15, 6 | kroon der verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige 439 15, 8 | verre van hovaardigheid, en leugenaars gedenken aan 440 15, 10| zal lof gesproken worden, en de Here zal die voorspoedig 441 15, 13| Here haat allerlei gruwel, en ze is niet bemind van degenen 442 15, 14| beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand zijns 443 15, 15| 15 En heeft gezegd: Indien gij 444 15, 15| gij zult de geboden houden en het geloof om te doen hetgeen 445 15, 16| 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek 446 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de mens, 447 15, 17| dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen zal, 448 15, 18| is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht, 449 15, 18| hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen.~ 450 15, 19| 19 En zijn ogen zijn op degenen 451 15, 19| degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van 452 15, 20| geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof gegeven 453 16, 1 | onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze 454 16, 2 | Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet.~ 455 16, 4 | 4 En het is beter zonder kinderen 456 16, 6 | dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen 457 16, 7 | vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest 458 16, 11| 11 En alzo heeft de Here zeshonderd 459 16, 11| harten, door ontferming en kastijding behouden, geselende, 460 16, 12| 12 Want ontferming en toorn is bij hem; hij is 461 16, 12| haastig verzoend wordt, en toorn uitstort.~ 462 16, 14| ontvlieden met zijn roof; en de verwachting van de godzalige 463 16, 15| alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis 464 16, 15| openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden 465 16, 16| voor de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken 466 16, 18| 18 Ziet, de hemel, en de de hemel des hemels, 467 16, 18| hemel des hemels, de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin 468 16, 18| de afgrond en de aarde, en hetgeen daarin is, zullen 469 16, 18| ganse wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil.~ 470 16, 19| 19 De bergen en de fundamenten der aarde 471 16, 20| 20 En het hart overdenkt deze 472 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken? 473 16, 21| welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel zijner werken 474 16, 22| Want het verbond is verre, en onderzoeking aller dingen 475 16, 24| 24 Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap, en let 476 16, 24| kind en leer wetenschap, en let met uw hart op mijn 477 16, 25| tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen 478 16, 26| zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, 479 16, 27| hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest 480 16, 27| geweest in zijn maakselen, en zijn niet be zweken van 481 16, 28| 28 En tot in eeuwigheid zullen 482 16, 29| 29 En na deze heeft de Here op 483 16, 29| de Here op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn 484 16, 30| leven van alle gedierte, en in baar keren zij weder.~ ~ 485 17, 1 | mens uit aarde geschapen, en heeft hem weder in dezelve 486 17, 2 | hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, 487 17, 2 | een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven 488 17, 3 | sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld 489 17, 4 | vreze gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen 490 17, 4 | zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis.~ 491 17, 5 | 5 En voor het zesde heeft hij 492 17, 5 | uit delende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, 493 17, 6 | heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en 494 17, 6 | hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart 495 17, 6 | en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; 496 17, 6 | verstands heeft hij hen vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad 497 17, 6 | vervuld, en hun hetgeen goed en kwaad is getoond.~ 498 17, 8 | 8 En de uitverkorenen zullen 499 17, 9 | nog toegelegd wetenschap, en hun de wet des levens tot 500 17, 10| heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen.~


1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-1650

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License