Chapter, Verse
1 3, 11| de oneer des vaders is u geen eer.~
2 3, 26| gemoed doen wankelen; als gij geen oogappelen hebt zult gij
3 3, 29| gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen
4 4, 1 | laat het leven des armen geen gebrek lijden, en stel de
5 4, 32| 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon
6 5, 10| rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag,
7 5, 16| 16 Laat u geen oorblazer noemen, en leg
8 5, 16| noemen, en leg met uw tong geen lagen.~
9 6, 1 | 1 WORD geen vijand in plaats van een
10 6, 15| 15 Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe
11 6, 15| getrouwe vriend, en daar is geen gewicht zijner schoonheid.~
12 6, 26| haar, en wordt harer banden geen vijand.~
13 7, 1 | 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad
14 7, 1 | DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen.~
15 7, 4 | 4 Begeer van de Here geen heerschappij, en van de
16 7, 4 | heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats.~
17 7, 12| 12 Ploeg geen leugen tegen uw broeder,
18 7, 20| 20 Die de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk
19 8, 1 | 1 STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet
20 8, 4 | klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn vuur.~
21 8, 6 | 6 Verwijt geen mens die zich van zonde
22 8, 16| 16 Word geen borg boven uw vermogen,
23 8, 19| 19 Verwek geen strijd met een toornige,
24 8, 19| bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u
25 8, 20| een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken.~
26 8, 22| aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden.~ ~
27 9, 1 | en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing.~
28 9, 3 | 3 Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet
29 9, 8 | schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid.~
30 9, 11| 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn;
31 9, 15| 15 Heb geen welbehagen aan dat, waarin
32 10, 27| machtigen worden geëerd, maar geen hunner is meerder dan die
33 11, 2 | zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn
34 12, 3 | wèl gaan, noch degene, die geen aalmoezen ter zijde legt.~
35 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar
36 13, 2 | die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene,
37 13, 26| gesproken, en men geeft hem geen plaats.~
38 13, 29| rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede
39 14, 3 | 3 De rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe
40 14, 6 | 6 Daar is geen bozer mens dan die zichzelf
41 14, 9 | de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid
42 14, 17| men behoeft in het graf geen spijs te zoeken.~
43 16, 27| alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet
44 17, 13| harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken.~
45 17, 26| mensen niet zijn, dewijl geen mensenzoon onsterfelijk
46 18, 2 | rechtvaardig, en daar is geen ander dan hij; hij heeft
47 18, 15| het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en
48 19, 8 | anderen, en indien het u geen zonde is, zo openbaar het
49 19, 20| wetenschap der boosheid is geen wijsheid, en daar is geen
50 19, 20| geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar de raad der
51 20, 16| dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank
52 20, 16| heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden;
53 20, 17| bezit zijner goederen met geen rechte kennis ontvangen,
54 21, 1 | gij gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de
55 21, 4 | tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar
56 21, 16| een gebroken vat, het zal geen kennis vatten, zo lang hij
57 22, 15| Hoed u voor hem, opdat gij geen moeite hebt, en niet bezoedeld
58 22, 22| gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan.~
59 22, 28| verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde
60 23, 4 | God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen, en
61 23, 9 | geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen,
62 23, 32| 32 Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de
63 23, 32| de takken van haar zullen geen vrucht dragen.~
64 24, 26| is alleen God, en daar is geen Zaligmaker benevens hem.~
65 25, 19| 19 Daar is geen hoofd boven het hoofd der
66 25, 19| hoofd der slang, en daar is geen gramschap boven de gramschap
67 25, 25| van een vrouw, en begeer geen vrouw tot wellust.~
68 25, 30| 30 Geef het water geen doortocht, noch de boze
69 26, 16| genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat
70 27, 16| verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn
71 28, 4 | 4 En hij heeft geen barmhartigheid over een
72 28, 7 | 7 Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste
73 28, 8 | aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen de naaste,
74 28, 18| naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid
75 28, 25| over de godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar
76 30, 10| Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en gij ten
77 30, 11| 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie
78 30, 16| 16 Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid
79 30, 16| des lichaams, en daar is geen vreugde boven blijdschap
80 31, 25| al uw werken wakker, en geen krankheid zal u ontmoeten.~
81 31, 28| 28 Toon u geen man in de wijn, want de
82 31, 36| 36 En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk
83 32, 21| valt, en gij zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten.~
84 32, 24| betrouwen op hem zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~
85 33, 1 | die de Here vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar hij
86 33, 19| vrouw, broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij
87 33, 19| en geef uw goederen aan geen ander, opdat gij niet berouw
88 33, 22| anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek aan uw eer.~
89 34, 15| de Here vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet
90 34, 20| 20 De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offeran
91 35, 12| aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer.~
92 35, 13| een rechter, en bij hem is geen achting des aangezichts.~
93 36, 5 | wij u kennen, want daar is geen God behalve gij, o Here.~
94 36, 27| 27 Waar geen heining is, daar wordt hetgeen
95 36, 27| bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man
96 36, 28| betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg
97 37, 29| niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles.~
98 38, 8 | ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid
99 38, 22| dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult
100 38, 22| wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen, en uzelf
101 38, 38| 38 Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en
102 38, 39| verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te
103 40, 6 | heeft weinig, en gelijk als geen rust, en daarna slaapt hij
104 40, 26| is in de vreze des Heren geen vermindering, en hij behoeft
105 40, 26| hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken.~
106 40, 28| 28 Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter
107 40, 29| ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet
108 41, 7 | jaren leeft, in het graf is geen bestraffing des levens.~
109 42, 1 | navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen.~
110 42, 25| 25 Geen gedachte gaat hem voorbij;
111 42, 27| noch verminderd; en behoeft geen raadgever.~
112 44, 10| Doch enigen zijn er waarvan geen gedachtenis is, en die vergaan
113 45, 23| de Here zag het, en had geen behagen daaraan, en zij
114 45, 27| het land des volks had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel
115 45, 27| hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want
116 46, 21| van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.~
117 48, 14| 14 Geen ding ging hem te boven,
118 49, 16| 16 Zodanig is er geen geschapen geweest op aarde
119 49, 17| 17 En daar is geen man geweest als Jozef, een
120 50, 25| verstoord, en het derde is geen volk:~
121 51, 9 | zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand
122 51, 9 | der mensen, en daar was geen.~
123 51, 13| verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.~
|