Chapter, Verse
1 2, 1 | MIJN kind, indien gij komt om de Here te dienen, zo bereid
2 4, 28| verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn.~
3 4, 36| hand niet uitgestrekt zijn om te nemen, en tezamen getrokken
4 5, 1 | niet, hij is mij genoegzaam om te leven.~
5 5, 2 | ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen uws
6 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te horen, en leef
7 6, 10| Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en
8 6, 34| Indien gij liefde zult hebben om te horen, zo zult gij verstand
9 7, 18| Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het
10 7, 18| noch een oprechte broeder om goud uit Ofir.~
11 7, 37| bezoeken van de kranke; want om zulke dingen zult gij bemind
12 8, 10| gij onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk
13 9, 4 | 4 Ga niet om met een snarenspeelster,
14 9, 7 | 7 Zie niet om in de straten der stad,
15 9, 7 | der stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen derzelve.~
16 9, 16| de mens die macht heeft om te doden, en gij zult de
17 10, 18| der volken keert de Here om, en verderft ze tot op de
18 11, 2 | geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen.~
19 11, 9 | 9 Twist niet om een zaak die u niet aangaat;
20 11, 31| bespieden die daarover komt om te doen vallen.~
21 12, 15| hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen.~
22 15, 15| geboden houden en het geloof om te doen hetgeen mij behaagt.~
23 17, 6 | ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap
24 18, 15| met boze woorden, als gij om iets gebeden wordt.~
25 19, 23| die de genade verandert, om het recht te doen blijken,
26 19, 25| wordt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen.~
27 20, 2 | lust van een gesnedene is om een jonge dochter te onteren,
28 20, 13| behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen.~
29 22, 1 | een ieder schuift hem weg om zijn oneer.~
30 22, 18| klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig
31 22, 26| bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vliedt een iegelijk
32 22, 30| mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een iegelijk
33 24, 7 | allen heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis
34 25, 6 | dat grijze haren zitten om te oordelen, en dat oude
35 25, 22| en zal ongaarne zuchten om harentwil.~
36 25, 29| het begin der zonde, en om harentwil sterven wij allen.~
37 25, 30| noch de boze vrouw vrijheid om uit te gaan.~
38 27, 1 | 1 VELEN hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en
39 27, 15| hun schelden is moeilijk om te horen.~
40 28, 4 | die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden.~
41 29, 5 | zijn naastens handen, en om des naasten geld vernedert
42 29, 13| 13 Verlies uw geld om uws vriends en broeders
43 29, 19| keert een goede borgschap om.~
44 31, 1 | 1 HET waken om des rijkdoms wil doet het
45 31, 6 | Velen zijn gebonden geworden om des gouds wil, en hun verderf
46 31, 31| ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen.~
47 32, 3 | hunnentwege verheugd zijt, en om wel versierd te wezen een
48 34, 6 | u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw
49 34, 12| geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden.~
50 36, 16| 16 Vervul Sion om uw woorden te verheffen,
51 37, 3 | vanwaar komt gij gerold om de aarde met bedriegerij
52 37, 5 | arbeidt met zijn vriend om des buiks wil, en neemt
53 37, 10| stelle zich tegenover u om te zien hetgeen u overkomen
54 38, 6 | mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt
55 38, 14| hun geve, rust en genezing om te mogen leven.~
56 38, 18| waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost
57 38, 27| Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken
58 38, 27| voren te maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.~
59 38, 29| die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.~
60 38, 30| Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken,
61 38, 30| schilderij na te maken, en waakt om het werk te voleinden.~
62 38, 33| 33 Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden,
63 38, 33| werken te voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer
64 38, 34| met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd is
65 38, 36| hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.~
66 39, 2 | spreuken gaat hij met hen om.~
67 39, 6 | begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg te komen tot degene
68 40, 5 | en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert
69 40, 7 | is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft.~
70 40, 9 | goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed
71 41, 2 | in alles, en nog sterk is om spijs te nemen.~
72 41, 10| zijn kinderen, overmits zij om zijnentwil gesmaad worden.~
73 41, 15| 15 Draag zorg om een goede naam te verkrijgen,
74 42, 1 | en neem geen persoon aan om te zondigen.~
75 42, 2 | en vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen;~
76 42, 3 | 3 Noch om te horen spreken uw metgezel,
77 42, 28| waardig zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd
78 42, 28| werken om te begeren! en om aanschouwd te worden tot
79 43, 1 | gedaante des hemels is heerlijk om aan te zien.~
80 44, 17| Here, en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld
81 44, 24| hij ook in Izaäk gesteld, om Abraham, zijns vaders wil,
82 45, 11| schelletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank
83 45, 19| hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar
84 45, 20| heeft hij hem uitverkoren, om de Here offeranden toe te
85 45, 20| welriekende reuk tot gedachtenis, om verzoening te doen voor
86 45, 21| inzet tingen der rechten, om Jakob zijn getuigenissen
87 45, 32| ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in
88 46, 2 | verlossing zijner uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden
89 46, 2 | tegen hen opstonden, en om Israël te brengen tot de
90 46, 9 | de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen
91 46, 9 | het niet zou zondigen en om de boze murmurering te stillen.~
92 46, 10| zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel,
93 47, 4 | jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid
94 47, 5 | Toen hij zijn hand ophief om met de steen des slingers
95 47, 6 | machtig, was in de oorlog, om de hoorn zijns volks te
96 47, 11| ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete
97 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
98 48, 10| 10 Gij zijt opgeschreven om te doen bestraffingen te
99 48, 19| ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben.~
100 49, 9 | geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk
101 49, 9 | verderven; van gelijken om te bouwen en te planten.~
102 50, 14| diensten op het altaar, om te versieren de offerande
103 50, 18| hun aangezicht ter aarde, om hun Here, de almachtige
104 50, 21| gemeente der kinderen Israëls, om hun te geven de zegen des
105 50, 21| Heren met zijn lippen, en om in zijn naam te roemen.~
106 50, 22| baden ten tweeden male aan, om de zegen van de Allerhoogste
107 51, 4 | tanden die bereid waren om mij te verslinden;~
108 51, 9 | was geen helper; ik zag om naar bijstand der mensen,
109 51, 12| gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood.~
110 51, 18| 18 Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het
111 51, 24| 24 Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen,
112 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en
113 51, 29| hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb
114 51, 34| onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden.~
|