Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en
2 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels,
3 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid
4 1, 6 | wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken
5 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd,
6 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven
7 2, 12| en verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en
8 3, 3 | 3 Wie zijn vader eert, die verzoent
9 3, 4 | 4 En wie zijn moeder eert, is gelijk
10 3, 5 | 5 Wie zijn vader eert, zal zich
11 3, 6 | 6 Wie zijn vader eert, zal lang
12 3, 6 | eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal
13 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn
14 3, 18| 18 Wie zijn vader verlaat, die
15 3, 18| gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt,
16 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft
17 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht
18 6, 14| een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die
19 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die
20 10, 32| tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven
21 11, 24| node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn
22 12, 1 | gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij zult
23 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over
24 13, 28| arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot,
25 14, 4 | 4 Wie vergadert onttrekkende van
26 14, 5 | tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs
27 14, 23| 23 Wie door haar vensters heenziet,
28 14, 24| 24 Wie nabij haar huis herberg
29 16, 16| voor de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit
30 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken?
31 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid
32 16, 22| gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het
33 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen
34 18, 3 | 3 Wie heeft hij macht gegeven
35 18, 3 | werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?~
36 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit
37 18, 4 | majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden
38 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven
39 19, 2 | verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die
40 19, 4 | 4 Wie haar licht vertrouwt die
41 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen,
42 19, 5 | zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat,
43 19, 6 | 6 Wie zijn tong bedwingt, zal
44 19, 6 | niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt
45 19, 16| woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong
46 20, 1 | heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal
47 21, 7 | 7 Wie bestraffing haat, die staat
48 21, 7 | voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert
49 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong,
50 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere
51 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart,
52 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet
53 22, 2 | koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de
54 22, 8 | 8 Wie een dwaas leert, die lijmt
55 22, 9 | 9 Wie een dwaas wat vertelt, die
56 22, 23| 23 Wie in een oog steekt, brengt
57 22, 24| 24 Wie een steen onder de vogelen
58 22, 24| werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die
59 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn
60 23, 2 | 2 Wie zal geselen bestellen over
61 23, 6 | een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in
62 23, 23| bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?~
63 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij
64 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~
65 26, 8 | ginds en weer bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene,
66 27, 16| 16 Wie heimelijke dingen openbaart,
67 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt
68 27, 23| die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~
69 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt,
70 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal
71 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal
72 28, 1 | 1 WIE zichzelf wreekt, die zal
73 28, 5 | behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~
74 28, 18| 18 Wie naar haar luistert, die
75 29, 1 | 1 WIE barmhartigheid oefent, die
76 29, 1 | die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand,
77 30, 2 | 2 Wie zijn zoon tuchtigt, zal
78 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal
79 30, 7 | 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die
80 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet
81 31, 5 | gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt,
82 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem
83 31, 10| 10 Wie is daardoor beproefd en
84 31, 10| hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden,
85 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal
86 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan
87 32, 16| daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan
88 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let
89 32, 24| die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op hem zet,
90 33, 2 | zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die
91 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal
92 34, 16| die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn
93 34, 16| vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~
94 34, 22| is het leven der armen, wie hen daarvan berooft, is
95 34, 28| heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren?
96 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet
97 35, 1 | doet offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft,
98 35, 2 | 2 Wie een weldaad vergeldt, is
99 35, 2 | die meelbloem offert, en wie een aalmoes doet, die offert
100 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar
101 37, 13| een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden
102 38, 15| 15 Wie tegen degene zondigt, die
103 38, 25| gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn
104 42, 31| het goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende
105 43, 3 | verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~
106 43, 34| 34 Wie heeft hem gezien, en zal
107 43, 34| en zal het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk
108 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan?
109 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~
|