Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
wetenschap 19
wetten 1
wezen 5
wie 109
wiel 1
wiens 3
wierook 1
Frequency    [«  »]
116 door
114 om
110 wordt
109 wie
104 over
104 uit
103 maar

Het boek Ecclesiasticus

IntraText - Concordances

wie

    Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Wie zal het zand der zee en 2 1, 3 | 3 Wie zal de hoogte des hemels, 3 1, 6 | 6 Wie is de wortel der wijsheid 4 1, 6 | wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken 5 2, 11| 11 Wie heeft op de Here betrouwd, 6 2, 12| 12 Of wie is in zijn vreze gebleven 7 2, 12| en verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en 8 3, 3 | 3 Wie zijn vader eert, die verzoent 9 3, 4 | 4 En wie zijn moeder eert, is gelijk 10 3, 5 | 5 Wie zijn vader eert, zal zich 11 3, 6 | 6 Wie zijn vader eert, zal lang 12 3, 6 | eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam is, zal 13 3, 7 | 7 Wie de Here vreest zal zijn 14 3, 18| 18 Wie zijn vader verlaat, die 15 3, 18| gelijk een godslasteraar, en wie zijn broeder tot toorn verwekt, 16 4, 13| 13 Wie haar liefheeft, die heeft 17 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht 18 6, 14| een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die 19 10, 32| 32 Wie zal die rechtvaardigen die 20 10, 32| tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven 21 11, 24| node te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn 22 12, 1 | gij weldoet, zo weet aan wie gij het doet, en gij zult 23 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over 24 13, 28| arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en indien hij aanstoot, 25 14, 4 | 4 Wie vergadert onttrekkende van 26 14, 5 | tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs 27 14, 23| 23 Wie door haar vensters heenziet, 28 14, 24| 24 Wie nabij haar huis herberg 29 16, 16| voor de Here verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit 30 16, 21| 21 En wie kan zijn wegen bedenken? 31 16, 22| 22 Wie zal de werken zijner gerechtigheid 32 16, 22| gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het 33 17, 22| 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen 34 18, 3 | 3 Wie heeft hij macht gegeven 35 18, 3 | werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd?~ 36 18, 4 | 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit 37 18, 4 | majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden 38 18, 28| 28 En wie ze vindt, die zal zij geven 39 19, 2 | verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die 40 19, 4 | 4 Wie haar licht vertrouwt die 41 19, 5 | 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, 42 19, 5 | zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat, 43 19, 6 | 6 Wie zijn tong bedwingt, zal 44 19, 6 | niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt 45 19, 16| woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong 46 20, 1 | heimelijk gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal 47 21, 7 | 7 Wie bestraffing haat, die staat 48 21, 7 | voetstappen van de zondaar, en wie de Here vreest, die bekeert 49 21, 8 | 8 Wie machtig is met de tong, 50 21, 9 | 9 Wie zijn huis met geld van andere 51 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart, 52 21, 14| 14 Wie niet kloek is, die zal niet 53 22, 2 | koedrek op de mesthoop; wie hem op neemt, schudt de 54 22, 8 | 8 Wie een dwaas leert, die lijmt 55 22, 9 | 9 Wie een dwaas wat vertelt, die 56 22, 23| 23 Wie in een oog steekt, brengt 57 22, 24| 24 Wie een steen onder de vogelen 58 22, 24| werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die 59 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn 60 23, 2 | 2 Wie zal geselen bestellen over 61 23, 6 | een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in 62 23, 23| bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?~ 63 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij 64 25, 15| 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden?~ 65 26, 8 | ginds en weer bewogen wordt; wie ze neemt, is gelijk degene, 66 27, 16| 16 Wie heimelijke dingen openbaart, 67 27, 23| 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt 68 27, 23| die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken.~ 69 27, 26| 26 Wie een steen in de hoogte werpt, 70 27, 27| 27 Wie een kuil graaft, die zal 71 27, 28| 28 Wie kwaad doet, bij die zal 72 28, 1 | 1 WIE zichzelf wreekt, die zal 73 28, 5 | behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen?~ 74 28, 18| 18 Wie naar haar luistert, die 75 29, 1 | 1 WIE barmhartigheid oefent, die 76 29, 1 | die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, 77 30, 2 | 2 Wie zijn zoon tuchtigt, zal 78 30, 3 | 3 Wie zijn zoon leert, die zal 79 30, 7 | 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die 80 31, 5 | 5 Wie goud liefheeft die zal niet 81 31, 5 | gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving najaagt, 82 31, 9 | 9 Wie is deze? en wij zullen hem 83 31, 10| 10 Wie is daardoor beproefd en 84 31, 10| hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, 85 32, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal 86 32, 16| 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan 87 32, 16| daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan 88 32, 24| 24 Wie de Here gelooft, die let 89 32, 24| die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op hem zet, 90 33, 2 | zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die 91 34, 15| 15 Wie de Here vreest, die zal 92 34, 16| die de Here vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn 93 34, 16| vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel?~ 94 34, 22| is het leven der armen, wie hen daarvan berooft, is 95 34, 28| heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? 96 35, 1 | 1 WIE de wet bewaart, die doet 97 35, 1 | doet offeranden genoeg; wie op de geboden acht heeft, 98 35, 2 | 2 Wie een weldaad vergeldt, is 99 35, 2 | die meelbloem offert, en wie een aalmoes doet, die offert 100 36, 28| 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar 101 37, 13| een godvrezende man, van wie gij weet dat hij de geboden 102 38, 15| 15 Wie tegen degene zondigt, die 103 38, 25| gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn 104 42, 31| het goede des anderen, en wie zal verzadigd worden aanschouwende 105 43, 3 | verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan?~ 106 43, 34| 34 Wie heeft hem gezien, en zal 107 43, 34| en zal het vertellen? en wie zal hem groot maken gelijk 108 46, 4 | 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? 109 48, 4 | 4 En wie is u gelijk om te roemen!~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License