Chapter, Verse
1 1, 19| kennis van het verstand uit als een plasregen en verhoogt
2 3, 12| eer des mensen komt hem uit de eer zijns vaders, en
3 3, 19| Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en
4 3, 23| sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen
5 3, 31| blust het vlammende vuur uit, en door aalmoezen verzoent
6 4, 1 | de behoeftige ogen niet uit.~
7 4, 2 | ziel niet, en stel niemand uit zijn behoefte.~
8 4, 9 | degene die onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht
9 5, 8 | bekeren, en stel het niet uit dag op dag.~
10 7, 18| oprechte broeder om goud uit Ofir.~
11 7, 25| 25 Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk
12 7, 26| uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een
13 7, 29| priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene
14 7, 34| 34 En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen
15 8, 7 | zijn ouderdom, want ook uit ons zijn er die oud worden.~
16 9, 9 | velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als
17 10, 17| wortelen der hovaardige volken uit, en plant de nederigen in
18 11, 12| ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid;~
19 14, 13| naar uw vermogen uw hand uit en geef hem.~
20 14, 22| verborgenheden verstandig worden; ga uit achter haar gelijk een naspeurder,
21 16, 16| wie zal aan mij gedenken uit de hoogte?~
22 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft
23 17, 5 | het vernuft geschonken, uit delende zijn gaven, en voor
24 17, 20| want hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting
25 18, 5 | vermeerderen, en zijn niet uit te speuren.~
26 18, 10| zijn barmhartigheid op hen uit.~
27 18, 29| handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige
28 20, 10| is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en
29 20, 10| pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd
30 20, 20| 20 Een spreuk komende uit de mond eens dwazen zal
31 20, 23| Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem
32 21, 6 | smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren,
33 22, 8 | aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap.~
34 22, 23| steekt, brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt
35 23, 30| hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen
36 24, 15| de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.~
37 24, 37| 37 Want ik giet lering uit gelijk een profetie, en
38 25, 30| de boze vrouw vrijheid om uit te gaan.~
39 26, 21| 21 Als gij uit alle velden een vruchtbaar
40 27, 20| gelijk alsof gij een vogel uit uw hand losgelaten hadt,
41 27, 21| ontvloden gelijk een ree uit de strik.~
42 28, 13| uitgaan; en dit komt beide uit uw mond.~
43 29, 6 | geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn
44 29, 11| lankmoedig, en stel hem niet uit met uw aalmoes.~
45 29, 15| schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer.~
46 29, 28| Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere
47 29, 31| 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk
48 31, 16| 16 Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf
49 31, 20| steek uw hand niet eerder uit dan zij.~
50 32, 5 | giet daar uw rede niet uit, en zijt niet wijs buiten
51 32, 18| naar zijn wil vindt hij uit hetgeen hem behaagt.~
52 33, 9 | verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot
53 33, 10| komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen.~
54 33, 12| 12 Enigen uit hen heeft hij gezegend en
55 33, 12| gezegend en verhoogd, en enigen uit hen heeft hij geheiligd,
56 33, 12| hem doen naderen, enigen uit hen heeft hij vervloekt
57 36, 8 | gramschap, en giet uw toorn uit.~
58 36, 28| moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere
59 38, 4 | Here heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een
60 39, 17| heiligen hoort mij, en spruit uit gelijk een roos, die geplant
61 39, 32| dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen de gramschap
62 40, 1 | van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen
63 40, 7 | zijn hart, gelijk een die uit de krijg ontvloden is, en
64 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal weder in
65 43, 13| Allerhoogsten spannen hem uit.~
66 43, 15| geopend, en de wolken vliegen uit, gelijk de vogelen.~
67 43, 23| en blust het groene gras uit, gelijk het vuur.~
68 44, 6 | zochten liefelijke gezangen uit van muziek, en verhaalden
69 44, 26| 26 En heeft uit hem voortgebracht een man
70 45, 4 | geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren.~
71 45, 7 | 7 Aäron, zijn broeder, uit de stam van Levi, heeft
72 45, 16| ooit deze klederen aan, die uit een ander geslacht was,
73 45, 16| alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren te allen
74 45, 20| 20 Uit alle levenden heeft hij
75 45, 31| opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel
76 46, 7 | 7 Hij brak uit met oorlog tegen de volken,
77 46, 22| einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie,
78 47, 2 | zo is David afgezonderd uit de kinderen Israëls.~
79 47, 4 | en nam de versmaadheid uit het volk weg.~
80 47, 10| 10 Uit geheel zijn hart zong hij
81 47, 11| ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon
82 47, 22| twee gescheurd werd, en uit Efraïm een on gehoorzaam
83 47, 24| zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad desgenen,
84 47, 25| overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten.~
85 48, 3 | op, en deed driemaal vuur uit de hemel nederkomen. Hoe
86 48, 5 | 5 Gij, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en
87 48, 5 | hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord
88 48, 16| een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid
89 48, 22| breidden hun handen tot hem uit.~
90 48, 23| 23 En de heilige uit de hemel verhoorde hen,
91 49, 9 | geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te
92 50, 5 | volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel
93 50, 12| gedeelten der offeranden uit de hand der priesters ontving,
94 50, 15| Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde
95 50, 27| wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.~
96 51, 2 | zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost;~
97 51, 4 | barmhartigheid van uw naam, uit de tanden die bereid waren
98 51, 5 | 5 Uit de hand dergenen die mijn
99 51, 5 | dergenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die
100 51, 6 | verstikking des vuurs rondom; uit het midden des vuurs, dat
101 51, 7 | 7 Uit de diepte des buiks, en
102 51, 11| uithelpt, en hen verlost uit de hand der vijanden.~
103 51, 15| Want gij hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken
104 51, 15| verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.~
|