Chapter, Verse
1 1, 9 | En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij
2 1, 30| valt, en schande brengt over uw ziel.~
3 2, 2 | niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt.~
4 3, 2 | heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt
5 3, 5 | zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen,
6 3, 9 | Opdat zegening van mensen over u kome.~
7 3, 29| 29 Als ongeluk over de hovaardigen gebracht
8 4, 19| Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem
9 4, 30| stuk, en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid.~
10 5, 10| de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden.~
11 5, 17| bezwaarlijke schaamte komt over een dief, en een schadelijke
12 5, 17| schadelijke verdoemenis over de tweetongige.~
13 6, 4 | zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden.~
14 6, 11| zal hij zijn als gij, en over uw huisknechten zal hij
15 7, 26| zelf aan een gehate niet over.~
16 8, 8 | 8 Verblijd u niet over de dood van uw grootste
17 9, 2 | ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~
18 9, 6 | Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat gij uw erfdeel niet
19 10, 4 | en hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die
20 10, 6 | Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets
21 10, 15| de Here zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen
22 11, 13| schouwende, verwonderen zich over hem.~
23 11, 16| zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met
24 12, 13| 13 Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van
25 12, 13| een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren
26 14, 10| 10 Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan
27 16, 1 | kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; indien
28 16, 1 | vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vreze des
29 16, 8 | is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen
30 16, 10| Hij ontfermde zich niet over het volk des verderfs, die
31 17, 2 | heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn.~
32 17, 4 | gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar
33 17, 14| ganse aardrijk heeft bij over elk volk een overste gesteld,
34 18, 10| Daarom is de Here lankmoedig over hen, en giet zijn barmhartigheid
35 18, 12| barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid.
36 18, 12| barmhartigheid. des Heren over alle vlees.~
37 18, 14| 14 Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing
38 21, 12| Heren bewaart, die heerst over zijn gedachten.~
39 21, 26| 26 De onwijze zal over de deur in het huis kijken,
40 21, 27| voorzichtige bezwaart zich over deze on eer.~
41 22, 10| 10 Ween over een dode, want het licht
42 22, 11| 11 Ween over een dode zachter, dewijl
43 22, 13| 13 De rouw over een dode duurt zeven dagen,
44 22, 13| duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al
45 23, 2 | Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting
46 23, 3 | tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van
47 23, 5 | geef mij, uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed.~
48 23, 31| gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking
49 25, 25| 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een
50 26, 30| 30 Over twee dingen is mijn hart
51 26, 30| hart bedroefd geworden, en over het derde is mij gramschap
52 27, 24| spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen,
53 28, 4 | heeft geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk
54 28, 25| 25 Zij zal over de godvrezenden gans geen
55 28, 27| 27 Zij zal over hen gezonden worden als
56 30, 2 | zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en
57 30, 3 | tegenwoordigheid der vrienden zal hij over hem vrolijk zijn.~
58 30, 5 | leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn
59 30, 26| en goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten
60 31, 12| tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open;~
61 31, 23| midden door heengaande; geef over, en gij zult weder rust
62 31, 27| 27 Die karig is in spijs, over die murmureert de stad,
63 33, 19| broeder en vriend geen macht over u, zo lang gij leeft, en
64 33, 20| uzelf in niemands macht, over.~
65 34, 3 | aangezicht tegen het aangezicht over.~
66 34, 20| der goddelozen, en wordt over de zonde door menigte der
67 35, 19| zal niet lankmoedig zijn over hen, totdat hij de lendenen
68 36, 1 | 1 ONTFERM u over ons Here, gij God aller
69 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de volken die u niet
70 36, 3 | 3 Verhef uw hand over de vreemde volken, laat
71 36, 14| 14 Ontferm u over uw volk, Here, dat naar
72 36, 14| naar uw naam genoemd is; en over Israël, dat gij uw eerstgeborene
73 36, 19| naar de zegen van Aäron over uw volk, en allen die op
74 37, 9 | hij niet misschien het lot over u werpe,~
75 37, 12| noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een
76 37, 12| oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene,
77 37, 12| noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een
78 37, 12| noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met
79 37, 12| noch met een onbarmhartige over de weldadigheid; noch met
80 37, 12| weldadigheid; noch met een luie over enig werk; noch met een
81 37, 12| gij een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk,
82 37, 12| met een trage huisknecht over veel arbeid.~
83 38, 16| 16 Mijn kind over een dode laat tranen vallen,
84 38, 24| gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest
85 38, 34| welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid
86 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken met gezang
87 40, 8 | af tot op het vee, doch over de zondaars komt tot deze
88 42, 3 | uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden
89 42, 14| 14 Houd scherpe wacht over een wrevelige dochter, dat
90 42, 14| misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men
91 43, 20| 20 Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid,
92 43, 20| het hart wordt ontsteld over haar regen.~
93 46, 15| ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk.~
94 46, 21| ontvangen; en geen mens klaagde over hem.~
95 47, 19| landschappen waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken,
96 47, 22| en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht,
97 47, 28| totdat de toorn en wraak over hen zouden komen.~ ~
98 48, 2 | 2 Welke over hen bracht een zware honger,
99 48, 17| daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis
100 50, 16| Allerhoogste, die koning is over alles.~
101 50, 21| afklimmende, zijn han den op over de ganse gemeente der kinderen
102 50, 25| 25 Over twee volken is mijn ziel
103 51, 19| verheugd geweest, gelijk over een druif die na het bloeisel
104 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid des Heren,
|