Chapter, Verse
1 1, 24| een tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen
2 1, 25| gelijkenissen der wetenschap, maar de godsdienstigheid is de
3 1, 29| 29 Maar de geveinsden niet met monden
4 3, 10| de huizen der kinderen, maar de vervloeking der moeder
5 3, 21| zijn hoog en zeer vermaard, maar de zachtmoedigen worden
6 6, 6 | in vrede leven, doch heb maar een van duizenden die uw
7 10, 3 | zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand
8 10, 24| heerschappij ook voor het lot, maar hardigheid en hovaardigheid
9 10, 27| machtigen worden geëerd, maar geen hunner is meerder dan
10 11, 21| de werken des zondaars, maar vertrouw de Here, en blijf
11 12, 6 | godvrezende zal hij wreken, maar genen bewaart hij tot de
12 12, 15| zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen
13 13, 5 | hij u te werk stel len, maar indien gij verachtert, zal
14 13, 24| zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo
15 16, 5 | met inwoners bezet worden; maar het geslacht der goddelozen
16 16, 23| is overlegt deze dingen, maar een dwaas man, verdwaald
17 17, 13| zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd
18 17, 14| volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn
19 17, 16| noch begeven noch verlaten, maar heeft hen verschoond.~
20 17, 24| 24 Maar die leeft en gezond van
21 17, 28| hemels, en alle mensen zijn maar aarde en as.~ ~ ~ ~
22 18, 8 | honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder
23 18, 12| mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid. des Heren
24 18, 26| zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet
25 18, 30| 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten.~
26 19, 5 | kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de wellusten wederstaat,
27 20, 5 | totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat
28 20, 12| woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid der dwazen
29 20, 25| voor een die steeds liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis
30 21, 8 | die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel
31 21, 13| 13 Maar de voleinding van de vreze
32 21, 19| gelijk een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige
33 21, 23| zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks
34 21, 25| tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren
35 21, 26| deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed
36 21, 27| te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart
37 21, 28| dingen die hun niet aangaan, maar de woorden der voorzichtigen
38 21, 29| der dwazen is in hun mond, maar de mond der wijzen is in
39 22, 4 | erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt,
40 22, 6 | is gelijk muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging ter
41 22, 13| dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze
42 24, 26| zeggende: Bezwijkt niet, maar zijt sterk in de Here, opdat
43 24, 38| mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.~ ~ ~ ~
44 25, 14| 14 Maar de liefde des Heren overtreft
45 25, 16| het begin zijner liefde, maar het geloof het begin zijner
46 25, 17| Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag des harten,
47 26, 7 | 7 Maar een vrouw die op een andere
48 26, 23| mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een
49 26, 24| een deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw wordt
50 26, 25| wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal
51 26, 26| geacht worden als een hond, maar die schaamte heeft, zal
52 26, 27| voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal
53 27, 5 | vaten van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in
54 27, 11| godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert gelijk
55 27, 12| onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen.~
56 27, 18| 18 Maar indien gij zijn heimelijke
57 27, 22| scheldwoord is verzoening, maar die heimelijke zaken openbaart,
58 27, 24| uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken,
59 28, 7 | tot zijn verderf en dood, maar blijf in de geboden.~
60 28, 13| blaast, zo zal zij branden, maar indien gij daarop spuwt,
61 28, 19| de gesel maakt striemen, maar de slag der tong vermorzelt
62 29, 6 | 6 Maar wanneer hij het behoort
63 29, 8 | 8 Maar indien niet, zo berooft
64 29, 17| zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren
65 31, 2 | bekommernis vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een
66 31, 33| 33 Maar veel wijn gedronken veroorzaakt
67 32, 1 | gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van
68 32, 13| wat gij voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hovaardige
69 32, 16| daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daaraan
70 32, 19| veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hovaardige
71 33, 1 | zal geen kwaad ontmoeten, maar hij zal hem in verzoeking
72 33, 2 | man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is,
73 33, 17| mij alleen heb gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing
74 33, 26| voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging
75 34, 10| ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder
76 35, 14| arme stelt niet aannemen, maar de smeking desgenen die
77 36, 22| hart zal droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren
78 36, 23| vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner
79 37, 1 | ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen
80 37, 8 | geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft voor zichzelf
81 37, 13| van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende
82 37, 26| heeft een getal der dagen, maar de dagen van Israël zijn
83 37, 32| zijn er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn
84 38, 9 | krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal
85 38, 40| worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit
86 40, 11| ongerechtigheid zal uitgedelgd worden, maar geloof zal in eeuwigheid
87 40, 17| des arbeiders, is zoet, maar die een schat vindt gaat
88 40, 19| muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer
89 40, 20| snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer
90 40, 21| aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide
91 40, 22| tegemoet ter ge legener tijd, maar een vrouw met haar man meer
92 40, 23| de tijd der verdrukking, maar een aalmoes verlost meer
93 40, 24| zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan
94 40, 25| sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren meer
95 40, 30| 30 Maar een verstandig man. en die
96 40, 31| onbeschaamden is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur
97 41, 16| zeker getal der dagen, maar een goede naam blijft in
98 43, 4 | aan tot werken der hitte, maar de zon verhit driemaal meer;
99 43, 24| 24 Maar een haastige genezing van
100 43, 29| wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen
101 45, 23| 23 Maar de Here zag het, en had
102 47, 20| vermenigvuldigdet gij, het zilver; maar gij hebt uw hart geneigd
103 48, 18| hetgeen, God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden
|