Chapter, Verse
1 5, 4 | 4 Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed
2 7, 9 | mijner gaven zien, en als ik God de Allerhoogste ofer,
3 11, 19| 19 Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal
4 11, 19| heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder
5 11, 24| 24 Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen, en
6 11, 25| 25 Zeg niet: Ik heb genoeg, en hetgeen ik
7 11, 25| Ik heb genoeg, en hetgeen ik heb is veel, en wat zal
8 15, 11| De Here is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want hetgeen
9 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen,
10 16, 25| 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn
11 19, 19| Gelijk het u behaagt zal ik niet doen, indien hij het
12 20, 16| 16 Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb
13 20, 16| zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn
14 22, 30| vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor
15 22, 30| voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs
16 22, 31| zegel op mijn lippen, opdat ik niet schielijk valse vanwege
17 23, 3 | vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen
18 23, 24| niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan
19 24, 3 | 3 Ik ben van de mond des Allerhoogsten
20 24, 3 | en gelijk een nevel heb ik de aarde bedekt.~
21 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste
22 24, 5 | 5 Ik alleen heb de rondte des
23 24, 6 | alle volken en natiën heb ik bezittingen.~
24 24, 7 | 7 Bij deze allen heb ik rust gezocht, om in iemands
25 24, 10| en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige
26 24, 10| een heilige tabernakel heb ik in zijn tegenwoordigheid
27 24, 11| 11 En zo ben ik in Sion bevestigd. In een
28 24, 13| 13 Ik ben verhoogd geworden als
29 24, 14| 14 Ik ben verhoogd geworden gelijk
30 24, 15| gelijk de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd.~
31 24, 16| 16 Ik heb een goede reuk van mij
32 24, 18| 18 Ik heb mijn takken uitgestrekt
33 24, 19| 19 Ik heb, gelijk een wijnstok
34 24, 20| 20 Ik ben een moeder der schone
35 24, 32| 32 Ik, de Wijsheid, ben gelijk
36 24, 33| gelijk een waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs.~
37 24, 34| 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn
38 24, 34| 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren,
39 24, 36| 36 Want ik doe de onderwijzing jichten
40 24, 37| 37 Want ik giet lering uit gelijk een
41 24, 38| 38 Ziet gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb
42 25, 1 | 1 DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor
43 25, 3 | ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:~
44 25, 9 | 9 Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen
45 25, 9 | hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~
46 25, 20| 20 Ik heb liever te wonen bij
47 26, 5 | en voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd:~
48 27, 25| 25 Ik haat zulk een zeer, en vergelijk
49 29, 31| dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn
50 33, 16| 16 En ik ben de laatste ontwaakt
51 33, 16| druiven naleest, nochtans ben ik door de zegen des Heren
52 33, 17| 17 Merkt dat ik niet voor mij alleen heb
53 34, 11| 11 Ik heb veel dingen gezien in
54 34, 12| 12 Menigmaal ben ik in gevaar geweest tot de
55 37, 1 | IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden,
56 39, 16| 16 Nog zal ik vertellen hetgeen ik bedacht
57 39, 16| zal ik vertellen hetgeen ik bedacht heb, want ik ben
58 39, 16| hetgeen ik bedacht heb, want ik ben vervuld gelijk de volle
59 39, 37| 37 Daarom ben ik van het begin af hierin
60 42, 18| 18 Nu zal ik gedenken de werken des Heren,
61 42, 18| werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen:
62 42, 18| hetgeen ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden
63 43, 29| kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige,
64 46, 21| ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en
65 51, 1 | Jezus, de zoon van Sirach>> IK zal u belijden Here, Koning,
66 51, 1 | belijden Here, Koning, en ik zal u prijzen, o God, die
67 51, 2 | 2 Ik belijd uw naam, dat gij
68 51, 5 | vele verdrukkingen, die ik gehad heb;~
69 51, 6 | het midden des vuurs, dat ik niet verbrand ben;~
70 51, 9 | en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand der
71 51, 10| 10 Toen gedacht ik aan uw barmhartigheid, Here,
72 51, 13| 13 Ik riep de Here de vader mijns
73 51, 13| verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hovaardigen.~
74 51, 14| 14 Ik zal uw naam prijzen zonder
75 51, 16| 16 Daarom zal ik u belijden, Here, en zal
76 51, 17| 17 Als ik nog jong was, eer dat ik
77 51, 17| ik nog jong was, eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid
78 51, 17| eer dat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht
79 51, 18| 18 Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot
80 51, 18| tot het uiterste toe zal ik haar naarstig zoeken.~
81 51, 20| heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~
82 51, 21| 21 Ik hem mijn oor een weinig
83 51, 22| veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen.~
84 51, 23| wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven.~
85 51, 24| 24 Want ik heb gedacht om haar in het
86 51, 25| honger verwekt hebbende, heb ik haar naarstig doorzocht.~
87 51, 26| 26 Ik heb mijn handen uitgerekt
88 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar
89 51, 27| gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden.~
90 51, 28| 28 Ik heb van het begin af tot
91 51, 28| hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden.~
92 51, 29| haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen.~
93 51, 30| mijn loon, en met deze zal ik hem prijzen.~
94 51, 33| 33 Ik heb mijn mond geopend en
95 51, 35| 35 Ziet met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb,
|