Chapter, Verse
1 2, 1 | 1 MIJN kind, indien gij komt om
2 3, 1 | 1 MIJN kinderen hoort mij uw vader
3 3, 13| 13 Mijn kind, verzorg uw vader in
4 3, 19| 19 Mijn kind, voer uw werken uit
5 4, 1 | 1 MIJN kind, laat het leven des
6 5, 3 | zijn macht brengen vanwege mijn werken? want de Here zal
7 6, 18| 18 Mijn kind, verkies de onderwijzing
8 6, 24| 24 Hoor mijn kind, en verkies mijn mening,
9 6, 24| Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en verwerp mijn
10 6, 24| mijn mening, en verwerp mijn raad niet;~
11 6, 33| Indien gij zult willen, mijn kind, zo zult gij onderwezen
12 7, 3 | 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren
13 10, 31| 31 Mijn kind verheerlijk uw ziel
14 11, 10| 10 Mijn kind, bemoei u niet met
15 11, 19| gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden,
16 11, 24| voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn?~
17 12, 12| nemen, en gij ten laatste mijn woorden gewaar wordt, en
18 12, 12| gewaar wordt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt.~
19 14, 11| 11 Mijn kind, doe uzelf goed naar
20 16, 6 | dergelijke dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor
21 16, 6 | heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen
22 16, 17| niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke
23 16, 24| 24 Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap,
24 16, 24| wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~
25 18, 15| 15 Mijn kind, wanneer het u wèl
26 20, 16| vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood
27 20, 16| voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk
28 21, 1 | 1 MIJN kind, hebt gij gezondigd,
29 22, 31| Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig
30 22, 31| een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet schielijk
31 22, 31| schielijk valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
32 23, 2 | zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting
33 23, 2 | onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn
34 23, 2 | mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden niet verschoont,
35 23, 3 | 3 Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd
36 23, 3 | vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen
37 23, 3 | degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd
38 23, 6 | 6 Hoort, mijn kinderen, de onderwijzing
39 23, 24| De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en
40 24, 4 | 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen
41 24, 4 | plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom.~
42 24, 8 | mij geschapen heeft, deed mijn tent rusten, en zeide:~
43 24, 11| rusten, en in Jeruzalem is mijn macht.~
44 24, 18| 18 Ik heb mijn takken uitgestrekt gelijk
45 24, 18| gelijk een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk en
46 24, 19| goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht
47 24, 21| 21 En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende
48 24, 22| begeert, en verzadigt u van mijn gewas.~
49 24, 23| 23 Want mijn gedachtenis is zoeter dan
50 24, 23| is zoeter dan honig, en mijn erfenis dan honigraat.~
51 24, 34| 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, en mijn
52 24, 34| mijn beste hof wateren, en mijn op. recht tuinbeddeken begieten.~
53 24, 35| geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden tot een
54 25, 3 | Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben
55 25, 9 | en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal
56 25, 9 | en het tiende zal ik met mijn tong zeggen:~
57 26, 5 | 5 Drie dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde
58 26, 5 | voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd:~
59 26, 20| 20 Mijn kind, bewaar de beste kracht
60 26, 30| 30 Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden,
61 29, 31| ik heb het huis nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd.~
62 31, 24| 24 Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet,
63 34, 11| heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn
64 34, 11| mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn rede
65 34, 11| het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft.~
66 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl
67 38, 9 | 9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim
68 38, 16| 16 Mijn kind over een dode laat
69 38, 23| 23 Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook
70 40, 28| 28 Mijn kind, leef geen bedelaarsleven;
71 41, 17| 17 Mijn kinderen, bewaart de tucht
72 41, 20| men zich dan ontzie voor, mijn woord, want het is niet
73 43, 29| kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij
74 50, 25| 25 Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde
75 51, 1 | zal u prijzen, o God, die mijn zaligmaker zijt.~
76 51, 2 | helper geweest zijt, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis
77 51, 5 | Uit de hand dergenen die mijn ziel zochten; uit de vele
78 51, 8 | 8 Mijn ziel was nabij de dood gekomen;
79 51, 8 | nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste
80 51, 12| 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven,
81 51, 14| lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest.~
82 51, 17| wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed.~
83 51, 19| 19 Mijn hart is in haar verheugd
84 51, 20| 20 Mijn voet is recht heengegaan;
85 51, 20| is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd.~
86 51, 21| 21 Ik hem mijn oor een weinig geneigd,
87 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar zeer
88 51, 26| 26 Ik heb mijn handen uitgerekt tot de
89 51, 26| uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt.~
90 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht,
91 51, 29| 29 Mijn hart is ontroerd geworden
92 51, 30| mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik
93 51, 33| 33 Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken,
|