Chapter, Verse
1 4, 32| Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon des
2 7, 11| 11 Belach de mens niet die in bitterheid zijner
3 8, 1 | STRIJD met geen machtig mens, dat gij niet misschien
4 8, 2 | Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet
5 8, 4 | niet met een klapachtig mens, en hoop geen hout op zijn
6 8, 6 | 6 Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert;
7 8, 22| Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank
8 9, 16| 16 Verwijder van de mens die macht heeft om te doden,
9 10, 12| 12 Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende
10 10, 13| hovaardigheid is, wanneer een mens van de Here afwijkt, en
11 11, 27| in de dag des doods de mens te vergelden naar zijn werken.~
12 11, 28| en aan het einde van de mens is de ontdekking zijner
13 11, 33| vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert
14 12, 17| en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij
15 13, 18| zijns gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief.~
16 14, 3 | rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld
17 14, 3 | waartoe dient geld een nijdig mens?~
18 14, 6 | 6 Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig
19 14, 8 | 8 Het is een boos mens, die met het oog afgunstig
20 15, 14| heeft van den beginne de mens gemaakt, en hem gelaten
21 15, 17| en de dood zijn voor de mens, en hetgeen hem behagen
22 16, 21| een storm wind, welke de mens niet zien kan; en het meerderdeel
23 17, 1 | 1 DE Here heeft de mens uit aarde geschapen, en
24 17, 13| altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd
25 17, 17| en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel,
26 17, 27| nochtans bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht.~
27 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan
28 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is hij nut?
29 18, 12| De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar
30 18, 17| en beide zijn ze bij de mens aangenaam.~
31 18, 18| en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen.~
32 18, 26| haastig voor de Here. Een wijs mens vreest altijd, en in de
33 19, 27| 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend,
34 20, 5 | 5 Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen
35 20, 19| 19 Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht,
36 20, 24| lelijke schandvlek in een mens, en in de mond der ongeschikten
37 20, 26| manieren van een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn
38 20, 27| woorden, en een voorzichtig mens behaagt de groten.~
39 20, 31| 31 Een mens die zijn dwaasheid verbergt,
40 20, 31| verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt;
41 21, 25| huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft,
42 22, 18| dragen, dan een onverstandig mens.~
43 23, 18| 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden,
44 23, 23| 23 Een mens die aftreedt van zijn bed,
45 25, 10| 10 Een mens die verheugd wordt aan zijn
46 27, 5 | de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking.~
47 27, 19| 19 Want gelijkerwijs een mens zijn vijand verliest, zo
48 28, 3 | 3 De ene mens houdt tegen de andere mens
49 28, 3 | mens houdt tegen de andere mens toorn, en bij de Here zoekt
50 28, 4 | barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt
51 28, 9 | verminderen, want een toornig mens ontsteekt de strijd.~
52 28, 11| toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn gramschap
53 28, 11| gramschap is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn
54 28, 14| oorblazer, en een tweetongig mens want zij hebben velen verdorven,
55 29, 10| boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van
56 29, 20| zal vlieden, en een onnut mens zal in zijn. gedachten verlaten
57 31, 18| 18 Eet gelijk een mens van hetgeen u voorgezet
58 31, 21| weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en
59 31, 22| is bij een onverzadelijk mens.~
60 32, 11| heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid.~
61 32, 18| 18 Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing,
62 33, 3 | 3 Een verstandig mens vertrouwt de wet, en de
63 33, 14| 14 Zo is ook de mens in de hand desgenen, die
64 34, 28| 28 Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden,
65 35, 21| 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn handelingen,
66 36, 22| droefheid geven, maar een mens, die veel ervaren heeft,
67 36, 28| sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft,
68 37, 12| verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch
69 38, 5 | opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?~
70 38, 7 | 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid
71 40, 1 | 1 VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen
72 40, 8 | het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, doch
73 41, 1 | gedachtenis van u, voor een mens, die in vrede leeft bij
74 41, 3 | oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die
75 41, 19| 19 Een mens, die zijn dwaasheid verbergt,
76 41, 19| verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt.~
77 41, 25| aangezicht afwendt van een mens die edel is.~
78 42, 15| op de schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden
79 46, 21| niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem.~
80 47, 6 | kracht dat hij weg nam een mens, die machtig, was in de
|