Chapter, Verse
1 2, 17| 17 Wat zult gij doen, als u de Here
2 3, 16| En in plaats der zonden zult gij daartegen gebouwd worden.~
3 3, 19| zachtmoedigheid, en gij zult door aangename mensen bemind
4 3, 20| uzelf des te meer, en gij zult bij de Here genade vinden.~
5 3, 26| gij geen oogappelen hebt zult gij aan het licht gebrek
6 4, 11| 11 En gij zult zijn gelijk een zoon des
7 5, 9 | uitvaren, en als gij onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld
8 5, 9 | gij onbezorgd zult zijn zult gij vermorzeld worden, en
9 6, 3 | 3 Gij zult uw bladeren opeten, en uw
10 6, 18| tot uw grijze haren toe zult gij wijsheid vinden;~
11 6, 20| 20 Want in haar werking zult gij wel een weinig vermoeid
12 6, 20| vermoeid worden, en haast zult gij van haar gewas eten.~
13 6, 29| 29 Want ten laatste zult gij haar rust vinden, en
14 6, 32| 32 Gij zult haar aantrekken als een
15 6, 32| een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als
16 6, 33| 33 Indien gij zult willen, mijn kind, zo zult
17 6, 33| zult willen, mijn kind, zo zult gij onderwezen worden, en
18 6, 33| ziel daartoe begeeft, zo zult gij geheel kloek worden.~
19 6, 34| 34 Indien gij liefde zult hebben om te horen, zo zult
20 6, 34| zult hebben om te horen, zo zult gij verstand krijgen, en
21 6, 34| krijgen, en indien gij uw oor zult neigen, zo zult gij wijs
22 6, 34| gij uw oor zult neigen, zo zult gij wijs worden.~
23 7, 3 | der ongerechtigheid, zo zult gij niet zevenvoudig hetzelve
24 7, 8 | tweemaal aan, want zelfs in een zult gij niet onschuldig zijn.~
25 7, 25| Geef uw dochter uit, en gij zult een groot werk volbracht
26 7, 28| voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven in
27 7, 37| kranke; want om zulke dingen zult gij bemind worden.~
28 7, 38| aan uw uiterste, en gij zult in der eeuwigheid niet zondigen.~ ~
29 8, 10| 10 Want van hen zult gij onderwijzing leren,
30 8, 12| 12 Want van hen zult gij verstand leren, en hoe
31 8, 12| de tijd als het nodig is zult antwoorden.~
32 8, 15| indien gij hem wat geleend zult hebben, zo zijt als een
33 9, 16| heeft om te doden, en gij zult de vrees des doods niet
34 11, 10| indien gij veel aanneemt, gij zult niet onschuldig zijn; en
35 11, 10| indien gij ze najaagt, zo zult gij ze niet bereiken; en
36 11, 10| ze niet bereiken; en gij zult geenszins ont vlieden als
37 12, 1 | wie gij het doet, en gij zult dank voor uw weldaden hebben.~
38 12, 2 | aan de godvrezende, en gij zult vergelding vinden, en is
39 12, 5 | goede, dat gij hem gedaan zult hebben.~
40 12, 11| wacht u van hem, en gij zult hem zijn als die een spiegel
41 12, 11| spiegel heeft afgeveegd, en zult gewaar worden, dat hij die
42 12, 17| kwaads zou ontmoeten, gij zult hem aldaar eerder vinden
43 13, 6 | 6 Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u
44 14, 15| 15 Zult gij niet uw arbeid een ander
45 14, 18| de eeuw aan is dit: Gij zult de dood sterven.~
46 15, 15| gezegd: Indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het
47 18, 20| uzelf tot weldoen, en gij zult verzoening vinden in de
48 18, 31| van haar welbehagen, zo zult gij uw vijanden die u benijden
49 18, 33| in de beurs, want anders zult gij een verspieder zijn
50 22, 16| 16 Wijk van hem, en gij zult rust vinden, en gij zult
51 22, 16| zult rust vinden, en gij zult niet verluieren in zijn
52 23, 16| in het midden der groten zult gij bijzitten.~
53 24, 9 | 9 In Jakob zult gij uw tent opslaan, en
54 24, 9 | opslaan, en te Jeruzalem zult gij erfgenaam zijn.~
55 26, 21| velden een vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben, zo zaai
56 27, 8 | hetgeen recht is najaagt, zo zult gij het achterhalen, en
57 27, 8 | gij het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange
58 27, 20| gij uw naaste verlaten, en zult hem niet weder vangen.~
59 28, 2 | heeft, en wanneer gij dan zult gebeden hebben, zullen u
60 28, 9 | Onthoud u van strijd, en gij zult de zonden verminderen, want
61 29, 3 | zijt hem getrouw en gij zult hem te allen tijde uw behoefte
62 29, 28| want waar gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet
63 29, 28| gij bij wonen zult, daar zult gij de mond niet durven
64 29, 29| 29 Gij zult gasten hebben en te drinken
65 31, 23| heengaande; geef over, en gij zult weder rust hebben.~
66 31, 24| veracht mij niet, en gij zult ten laatste de waarheid
67 32, 3 | nodig is te doen, en als gij zult geprezen zijn, zo rust,
68 32, 4 | ernstige wetenschap, en gij zult het snarenspel verhinderen.~
69 32, 21| lichtelijk valt, en gij zult tegen geen steenachtige
70 33, 4 | zo bereid de rede, en zo zult gij gehoord worden; bind
71 33, 30| hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
72 33, 31| oprijzende weg zou lopen, waar zult gij hem zoeken?~ ~
73 38, 22| geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen,
74 38, 22| voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.~
75 41, 30| 30 Gij zult recht schaamachtig zijn,
76 42, 10| 10 En gij zult recht onderwezen, en bij
77 43, 33| vermoeit u niet, want gij zult het niet bereiken.~
78 51, 36| getal gelds, en veel goud zult gij in haar bezitten.~
|