Chapter, Verse
1 1, 10| 10 De vreze des Heren is eer, en roem, en vrolijkheid,
2 1, 11| 11 De vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft
3 1, 21| 21 De vreze des Heren verdrijft de misdaden, en
4 1, 27| 27 Want de vreze des Heren is wijsheid en tucht, en
5 1, 28| zo wantrouw de vreze des Heren niet, en ga niet tot hem
6 1, 32| Omdat gij tot de vreze des Heren niet met waarheid zijt gekomen,
7 3, 7 | zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem
8 3, 22| 22 Want de macht des Heren is groot, en wordt door
9 5, 9 | 9 Want de toorn des Heren zal schielijk uitvaren,
10 6, 37| Overdenk de geboden des Heren volkomen, en oefen u altijd
11 9, 20| roem zijn in de vreze des Heren.~
12 10, 4 | aarde is in de hand des Heren, en hij zal te zijner tijd
13 10, 5 | 5 In de hand des Heren is des mensen voorspoed,
14 10, 24| 24 De vreze des Heren is een heerschappij ook
15 10, 25| en armen, is de vreze des Heren.~
16 11, 4 | wonderlijk zijn de werken des Heren en zijn werken zijn de mensen
17 11, 12| armoede, en het oog des Heren ziet op hem ten goede, en
18 11, 17| 17 De gave des Heren blijft bij de godvrezenden,
19 11, 22| Want het is in de ogen des Heren licht, snel en onvoorziens
20 11, 23| 23 De zegen des Heren is in het loon van de godvrezende;
21 15, 18| groot is de wijsheid des Heren, en hij is sterk in kracht,
22 16, 1 | hen niet, zo de vreze des Heren bij hen niet is.~
23 16, 26| 26 Want door des Heren oordeel zijn zijn werken
24 17, 25| groot is de ontferming des Heren onzes Gods, en de verzoening
25 18, 5 | 5 De wonderen des Heren zijn niet te verminderen
26 18, 12| maar de barmhartigheid. des Heren over alle vlees.~
27 19, 18| 18 De vreze des Heren is een beginsel der aanneming,
28 19, 18| kennis der geboden des Heren is onderwijzing des levens,
29 21, 12| 12 Wie de wet des Heren bewaart, die heerst over
30 21, 13| voleinding van de vreze des Heren is de aanneming der wijsheid.~
31 23, 34| beter is dan de vreze des Heren, en niets zoeter dan dat
32 24, 12| verheerlijkt volk, in het deel des Heren, dat is zijn erfdeel.~
33 25, 8 | hun roem is de vreze des Heren.~
34 25, 14| 14 Maar de liefde des Heren overtreft alles, tot verlichting.~
35 25, 16| 16 De vreze des Heren is het begin zijner liefde,
36 26, 15| gemoed is, is een gave des Heren, en daar is niets waartegen
37 26, 17| de hoogste plaatsen des Heren, zo is ook de schoonheid
38 27, 3 | naarstig aan de vreze des Heren houdt, zo zal zijn huis
39 29, 23| overtredende de geboden des Heren zal in borgschap vervallen,
40 33, 8 | Zij zijn in de kennis des Heren onderscheiden, en hij heeft
41 33, 16| ben ik door de zegen des Heren bevorderd, en heb de wijnpers
42 34, 17| 17 De ogen des Heren zien op degenen die hem
43 35, 3 | 3 Het is des Heren welbehagen dat men afsta
44 35, 4 | voor het aangezicht des Heren.~
45 37, 13| weet dat hij de geboden des Heren bewaart, die gezind is gelijk
46 39, 11| wet van het verbond des Heren roemt hij.~
47 39, 20| 20 De werken des Heren zijn alle zeer schoon, en
48 39, 38| 38 Al de werken des Heren zijn goed, en al wat nodig
49 39, 40| mond, en looft de naam des Heren.~ ~ ~ ~
50 40, 25| hart, maar de vreze des Heren meer dan beide.~
51 40, 26| Daar is in de vreze des Heren geen vermindering, en hij
52 40, 27| 27 De vreze des Heren is gelijk een gezegende
53 42, 18| ik gedenken de werken des Heren, en hetgeen ik gezien heb
54 42, 18| vertellen: in de woorden des Heren ziet men zijn werken.~
55 42, 19| van de heerlijkheid des Heren.~
56 43, 10| de hoogste plaatsen des Heren.~
57 43, 25| 25 Door de raad des Heren staat de afgrond stil, en
58 45, 26| eten de slachtoffers des Heren, welke hij hem en zijn zaad
59 45, 28| geijverd in de vreze des Heren.~
60 46, 4 | gestaan? want de oorlogen des Heren heeft hij gevoerd.~
61 46, 15| zijnde een profeet des Heren, heeft koninkrijken ingesteld,
62 46, 16| vergadering naar de wet des Heren, en de Here bezocht Jakob.~
63 47, 7 | prees hem met zegeningen des Heren, als hem de kroon der heerlijk
64 47, 20| 20 In de naam des Heren, de God der ganse aarde,
65 48, 3 | 3 Door het woord des Heren hield hij de hemel op, en
66 48, 7 | hebt de bestraffing des Heren, en op Horeb de oordelen
67 48, 10| het grimmige oordeel des Heren; te keren het hart van de
68 50, 1 | zijn leven het huis des Heren heeft vermaakt, heeft ook
69 50, 13| heerlijkheid, en de offerande des Heren was in hun handen, in tegenwoordigheid
70 50, 20| eindigd was het versiersel des Heren, en zij zijn dienst geëindigd
71 50, 21| hun te geven de zegen des Heren met zijn lippen, en om in
72 50, 29| zijn, dewijl het licht des Heren zijn voetstap is, en hij
73 51, 13| riep de Here de vader mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde
74 51, 37| over de barmhartigheid des Heren, en schaamt u niet hem te
|