Chapter, Verse
1 1, 11| vrees des Heren vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en
2 1, 28| niet tot hem met een dubbel hart.~
3 1, 32| waarheid zijt gekomen, en uw hart vol is van bedrog.~
4 2, 2 | 2 Richt uw hart en verdraag, en haast niet
5 2, 15| 15 Wee een slap hart, omdat het niet gelooft,
6 3, 27| 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk
7 3, 28| 28 Een hard hart zal bezwaard worden met
8 3, 30| 30 Het hart des verstandigen denkt op
9 4, 3 | 3 Ontroer een verstoord hart niet verder, en onthoud
10 6, 37| zijn bevelen, zo zal hij uw hart versterken, en de begeerde
11 7, 26| Hebt gij een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en
12 8, 22| 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en
13 10, 13| de Here afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem
14 11, 31| in een kooi, alzo is het hart des hovaardigen, en gelijk
15 12, 15| zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om
16 13, 30| 30 Het hart des mensen verandert zijn
17 13, 30| goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt
18 13, 31| aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding
19 14, 22| 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar
20 16, 20| 20 En het hart overdenkt deze dingen niet
21 16, 24| wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden.~
22 17, 6 | tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap
23 17, 24| die leeft en gezond van hart is, zal de Here prijzen.~
24 18, 29| Here alleen, daar het dode hart hangt aan hetgeen dat dood
25 19, 4 | die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel
26 19, 16| 16 Laat uw hart niet elk woord geloven;
27 21, 20| overdenkt zijn woorden in zijn hart.~
28 21, 29| 29 Het hart der dwazen is in hun mond,
29 21, 29| mond der wijzen is in hun hart.~
30 22, 19| schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte
31 22, 20| 20 Een hart dat op verstandige gedachten
32 22, 22| 22 Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas
33 22, 23| tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen
34 23, 2 | onderrichting der wijsheid in mijn hart? opdat gij Here mijn onwetendheden
35 25, 9 | ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met
36 25, 27| veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht,
37 26, 4 | 4 En het hart van zo'n man is goed tot
38 26, 5 | Drie dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde word
39 26, 30| Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, en over
40 27, 6 | gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~
41 27, 16| vriend vinden naar zijn hart.~
42 30, 23| ziel lief, en troost uw hart, en stel droefheid verre
43 30, 26| 26 Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen,
44 31, 29| doet ook de wijn in het hart der hovaardigen als zij
45 34, 5 | ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, gelijk
46 34, 5 | inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood
47 34, 6 | te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet.~
48 36, 21| onderkent een verstandig hart leugenachtige redenen.~
49 36, 22| 22 Een verdraaid hart zal droefheid geven, maar
50 37, 6 | Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid,
51 38, 10| hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.~
52 38, 21| 21 Begeef uw hart niet tot droefheid, zet
53 38, 27| 27 Deze zal zijn hart begeven om voren te maken,
54 38, 30| 30 Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken,
55 38, 33| 33 Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden,
56 38, 36| 36 Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze,
57 39, 6 | 6 Hij begeeft zijn hart tot de Here, om vroeg te
58 39, 40| nu, lofzingt met uw ganse hart en mond, en looft de naam
59 40, 7 | door het gezicht van zijn hart, gelijk een die uit de krijg
60 40, 19| en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid
61 40, 25| en sterkte verhogen het hart, maar de vreze des Heren
62 42, 22| 22 De afgrond en het hart onderzoekt hij, en is bedacht
63 43, 20| van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar
64 45, 32| geve ulieden wijsheid in uw hart om te richten zijn volk
65 46, 13| zijn naam, welker aller hart niet heeft gehoereerd, en
66 47, 10| 10 Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had
67 47, 20| zilver; maar gij hebt uw hart geneigd tot de vrouwen;~
68 48, 10| des Heren; te keren het hart van de vader tot de zoon,
69 49, 4 | 4 Hij richtte zijn hart tot de Here; in de dagen
70 50, 27| als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien.~
71 51, 19| 19 Mijn hart is in haar verheugd geweest,
72 51, 28| het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik
73 51, 29| 29 Mijn hart is ontroerd geworden om
|