Chapter, Verse
1 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen, en
2 2, 17| 17 Wat zult gij doen, als u de
3 3, 23| ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat
4 5, 13| 13 Zijt ras om wat goeds te horen, en leef
5 7, 18| middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte
6 7, 28| hen voortgebracht zijt, en wat zult gij hun daarvoor geven
7 8, 15| dan gij, en indien gij hem wat geleend zult hebben, zo
8 8, 21| vreemde, want gij weet niet wat hij baren zal.~
9 9, 19| met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar de
10 10, 8 | door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch
11 11, 19| ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal,
12 11, 24| 24 Zeg niet: Wat heb ik van node te behagen,
13 11, 25| hetgeen ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit
14 13, 3 | 3 Wat gemeenschap zal de aarden
15 13, 6 | 6 Indien gij wat zult hebben, zo zal hij
16 13, 7 | met u spreken, en zeggen: Wat hebt gij nodig?~
17 13, 20| 20 Wat gemeenschap zal een wolf
18 13, 21| 21 Wat vrede zal een hyëna hebben
19 13, 21| hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben
20 16, 17| mij niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke
21 17, 27| 27 Wat is klaarder dan de zon,
22 18, 7 | 7 Wat is de mens? en waartoe is
23 18, 7 | en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn
24 18, 7 | nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad?~
25 19, 10| 10 Hebt gij wat gehoord, laat het bij u
26 19, 18| des levens, en die doen wat hem behagelijk is, zullen
27 19, 28| der mensen, verkondigen wat hij voor een is.~
28 20, 30| schat die niet bekend is, wat nuttigheid is in beide?~
29 22, 9 | 9 Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het
30 22, 9 | het einde zal hij zeggen: Wat is het?~
31 22, 17| 17 Wat is er zwaarder dan lood,
32 22, 17| er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders
33 23, 24| mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste
34 25, 5 | vergaderd, en hoe zoudt gij wat vinden in uw ouderdom?~
35 25, 6 | 6 Wat een schone zaak is het dat
36 27, 6 | uitspraak der gedachten blijken wat in het hart des mensen is.~
37 29, 30| bereid de tafel, en zo gij wat hebt, spijs mij.~
38 30, 19| 19 Wat is het brandoffer de afgod
39 31, 15| 15 Is er wat bozer geschapen dan zulk
40 31, 31| 31 Wat voor een leven heeft hij
41 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen, en als
42 32, 13| 13 Speel aldaar, en doe wat gij voorgenomen hebt, maar
43 32, 15| Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt.~
44 34, 3 | 3 Wat men in de dromen ziet, is
45 34, 4 | 4 Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden?
46 34, 25| bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite?~
47 34, 28| zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd
48 37, 9 | raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij
49 37, 15| van de man pleegt somtijds wat beters te verkondigen, dan
50 37, 28| terwijl gij leeft, en zie wat voor haar schadelijk is,
51 38, 26| 26 Wat zou hij wijs worden, die
52 38, 36| begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt
53 39, 5 | doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad is onder de
54 39, 20| alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt in
55 39, 20| tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen
56 39, 25| 25 Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen
57 39, 38| des Heren zijn goed, en al wat nodig is verleent hij als
58 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert wederom
59 40, 10| wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt zich
60 41, 6 | 6 En wat wilt gij weigerend zijn
61 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal weder
62 41, 18| niet te voorschijn komt, wat nuttigheid heeft men van
63 41, 28| verwijting, en als gij hem wat gegeven hebt verwijt hem
64 42, 8 | 8 Indien gij wat overgeeft, doe het bij getal
65 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God, de
66 48, 25| 25 Want Hiskia deed wat de Here behaagde, en hield
67 51, 32| 32 Wat vertraagt gij? of wat zegt
68 51, 32| 32 Wat vertraagt gij? of wat zegt gij hiertoe? zo toch
|