Chapter, Verse
1 1, 9 | haar degenen die hem lief hebben.~
2 3, 7 | degenen, die hem gegenereerd hebben.~
3 3, 26| gij aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis
4 4, 19| zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben
5 4, 19| hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten;~
6 6, 34| 34 Indien gij liefde zult hebben om te horen, zo zult gij
7 7, 25| een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig
8 7, 28| van hetgeen zij u gegeven hebben?~
9 8, 11| onderwijzing der ouden, want zij hebben ook geleerd van hun vaderen.~
10 8, 15| gij hem wat geleend zult hebben, zo zijt als een die het
11 9, 15| de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in de
12 11, 5 | 5 Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar
13 12, 1 | zult dank voor uw weldaden hebben.~
14 12, 5 | dat gij hem gedaan zult hebben.~
15 13, 3 | aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten,
16 13, 6 | 6 Indien gij wat zult hebben, zo zal hij met u leven,
17 13, 20| gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar
18 13, 21| Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede
19 13, 21| wat vrede zal een rijke hebben met een arme?~
20 14, 25| 25 Zal herberg hebben in een herberg vol goeds,
21 14, 26| heerlijkheid zal hij herberg hebben.~ ~
22 16, 4 | dan goddeloze kinderen te hebben.~
23 16, 27| in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn
24 17, 11| 11 Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit
25 17, 13| geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van
26 18, 6 | 6 Wanneer de mens zal hebben voleindigd, dan begint hij,
27 18, 6 | wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken.~
28 19, 3 | maden en wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot
29 22, 17| lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood.~
30 25, 6 | en dat oude mannen kennis hebben tot raad?~
31 26, 4 | hij rijk of arm is, altijd hebben zij een vrolijk aangezicht
32 26, 21| vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad,
33 27, 1 | 1 VELEN hebben gezondigd om een middelmatige
34 27, 18| zaken zoudt geopenbaard hebben, zo volg hem niet na.~
35 28, 2 | wanneer gij dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven
36 28, 10| onder degenen die vrede hebben, werpt hij laster in.~
37 28, 14| tweetongig mens want zij hebben velen verdorven, die in
38 28, 25| godvrezenden gans geen macht hebben, en door haar vlam zullen
39 29, 4 | moeite aan, die hen geholpen hebben.~
40 29, 29| 29 Gij zult gasten hebben en te drinken geven de ondankbaren,
41 31, 23| en gij zult weder rust hebben.~
42 32, 1 | 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld,
43 32, 24| zet, die zal geen gebrek hebben.~ ~
44 34, 7 | 7 Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop
45 35, 18| Allerhoogste het zal ingezien hebben, welke de rechtvaardige
46 35, 19| onbarmhartigen verbroken zal hebben.~
47 35, 20| vaardigen verbroken zal hebben.~
48 35, 22| 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht van
49 38, 8 | ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt
50 40, 2 | hetgeen zij te verwachten hebben, de dag des doods;~
51 43, 35| dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien.~
52 44, 3 | 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken,
53 44, 4 | verstand, en verkondigd hebben van profetieën.~
54 44, 9 | die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof
55 45, 19| zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst
56 45, 22| tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn;
57 45, 30| heerlijkheid des priesterdoms zou hebben in der eeuwigheid.~
58 48, 11| Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in liefde ontslapen
59 48, 19| bouwde fonteinen om water te hebben.~
60 49, 5 | David en Hiskia, en Josia, hebben zij allen misdaden begaan.~
61 49, 6 | 6 Want zij hebben de wet des Allerhoogsten
62 49, 8 | 8 Die hebben de uitverkoren, heilige
63 49, 9 | 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel
64 49, 14| hun dagen het huis weder hebben gebouwd, en de heilige tempel
65 50, 26| 26 Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria,
|