Chapter, Verse
1 1, 30| en schande brengt over uw ziel.~
2 2, 1 | te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting.~
3 4, 2 | 2 Bedroef de hongerige ziel niet, en stel niemand uit
4 4, 6 | vervloekt in bitterheid zijner ziel, zijn gebed zal hij horen,
5 4, 19| tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en
6 4, 24| word niet beschaamd voor uw ziel.~
7 4, 26| persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood
8 5, 2 | 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om
9 6, 2 | Verhef u niet in de raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk
10 6, 2 | raad uwer ziel, opdat uw ziel niet gelijk een stier herwaarts
11 6, 4 | 4 Een boze ziel zal verderven degene die
12 6, 27| Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met
13 6, 33| worden, en indien gij uw ziel daartoe begeeft, zo zult
14 7, 11| die in bitterheid zijner ziel is, want daar is een die
15 7, 17| 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak des
16 7, 20| noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft.~
17 7, 21| 21 Laat uw ziel een verstandige huisknecht
18 7, 29| Vrees de Here met uw gehele ziel, en houd zijn priesters
19 9, 2 | 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over
20 9, 2 | vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen.~
21 9, 6 | 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat
22 9, 11| dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en gij met
23 10, 10| deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden
24 10, 31| Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid,
25 10, 32| rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren,
26 14, 2 | 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet
27 14, 4 | vergadert onttrekkende van zijn ziel, die vergadert voor anderen,
28 14, 9 | ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen.~
29 14, 16| Geef en neem, en heilig uw ziel.~
30 16, 17| gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen?~
31 19, 4 | hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen.~
32 21, 30| vervloekt hij zijn eigen ziel.~
33 21, 31| oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen
34 23, 20| 20 Een hittige ziel is gelijk een brandend vuur;
35 25, 3 | soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik
36 26, 15| waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen kan.~
37 26, 16| dat waardig is haar kuise ziel.~
38 26, 29| vijanden; en een ieders mensen ziel, die deze in zeden gelijk
39 29, 18| is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld.~
40 30, 12| zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij.~
41 30, 21| 21 Begeef uw ziel niet tot droefheid, en kwel
42 30, 23| 23 Heb uw ziel lief, en troost uw hart,
43 31, 32| harten en verheuging der ziel, ter rechter tijd, en zoveel
44 31, 33| veroorzaakt bitterheid der ziel door twist en ongeval.~
45 33, 30| dat hij u zij gelijk uw ziel, omdat gij hem door bloed
46 33, 30| broeder, want hij is gelijk uw ziel, gij zult hem behoeven.~
47 34, 16| 16 Zalig is de ziel desgenen, die de Here vreest,
48 34, 18| 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij
49 37, 9 | 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem
50 37, 15| 15 Want de ziel van de man pleegt somtijds
51 37, 20| van velen, en hij is zijn ziel niet nut.~
52 37, 28| 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl gij leeft, en zie
53 38, 41| behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die
54 40, 29| rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen.~
55 47, 17| 17 Uw ziel heeft de ganse aarde bedekt,
56 48, 5 | dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord
57 50, 25| Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde
58 51, 5 | de hand dergenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen,
59 51, 8 | 8 Mijn ziel was nabij de dood gekomen;
60 51, 25| 25 Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden,
61 51, 27| 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in
62 51, 34| hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij
63 51, 37| 37 Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid
|