Chapter, Verse
1 3, 1 | 1 MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet alzo, opdat
2 5, 1 | rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven.~
3 5, 3 | 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen
4 5, 4 | gezondigd, en welk leed is mij geschied? want de Here is
5 11, 25| heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor
6 15, 12| 12 Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want hij heeft
7 15, 15| geloof om te doen hetgeen mij behaagt.~
8 16, 16| 16 Zeg niet: Ik zal mij voor de Here verbergen,
9 16, 16| verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte?~
10 16, 17| een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want wat
11 16, 24| 24 Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap,
12 20, 16| eten spreken kwalijk van mij.~
13 22, 30| vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn
14 22, 30| voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo
15 22, 30| niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om
16 22, 31| 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond
17 22, 31| vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve?~ ~ ~
18 23, 1 | des gansen levens, verlaat mij niet in hun raad, en laat
19 23, 1 | niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen.~
20 23, 3 | niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand
21 23, 3 | zijn, en mijn vijand over mij verblijd worde, van welke
22 23, 4 | en God mijns levens, geef mij geen verheffing der ogen,
23 23, 5 | 5 Weer van mij af ijdele hoop en begeerte,
24 23, 5 | altijd wil dienen; laat mij de begeerte des buiks, en
25 23, 5 | slaap niet innemen, en geef mij, uw knecht, niet over aan
26 23, 23| zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?~
27 23, 24| 24 Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij,
28 23, 24| mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat
29 23, 24| bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste
30 24, 8 | 8 Toen beval mij de schepper aller dingen,
31 24, 8 | schepper aller dingen, en die mij geschapen heeft, deed mijn
32 24, 10| van den beginne heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid
33 24, 11| geheiligde stad heeft hij mij insgelijks doen rusten,
34 24, 16| Ik heb een goede reuk van mij gegeven, gelijk als kaneel
35 24, 21| eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden.~
36 24, 22| 22 Komt herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en
37 24, 22| herwaarts tot mij, gij die mij begeert, en verzadigt u
38 24, 24| 24 Die mij eten, zullen niet hongeren,
39 24, 24| zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten.~
40 24, 25| 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer
41 24, 25| beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen.~
42 24, 35| ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier,
43 24, 38| gij dan, dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar
44 26, 30| geworden, en over het derde is mij gramschap aangekomen:~
45 29, 30| en zo gij wat hebt, spijs mij.~
46 29, 31| nodig, mijn broeder is bij mij geherbergd.~
47 31, 24| 24 Hoor mij, mijn kind, en veracht mij
48 31, 24| mij, mijn kind, en veracht mij niet, en gij zult ten laatste
49 33, 17| 17 Merkt dat ik niet voor mij alleen heb gearbeid, maar
50 38, 23| zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.~
51 39, 17| 17 Gij heiligen hoort mij, en spruit uit gelijk een
52 51, 2 | belijd uw naam, dat gij mij een beschermer en helper
53 51, 3 | tegen degenen die zich tegen mij stelden, zijt gij mij een
54 51, 3 | tegen mij stelden, zijt gij mij een helper geweest.~
55 51, 4 | 4 Gij hebt mij verlost naar de menigte
56 51, 4 | tanden die bereid waren om mij te verslinden;~
57 51, 9 | 9 Zij hadden mij van alle zijden omzet, en
58 51, 13| mijns Heren aan, dat hij mij niet wilde verlaten in de
59 51, 15| verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd.~
60 51, 23| 23 Degene die mij wijsheid geeft, die zal
61 51, 25| haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende,
62 51, 30| 30 De Here heeft mij een tong gegeven tot mijn
63 51, 31| 31 Gemaakt tot mij, gij die niet onderwezen
|