Chapter, Verse
1 1, 11| en vreugde, en een lang leven.~
2 1, 20| haar takken zijn een lang leven.~
3 3, 6 | zijn vader eert, zal lang leven, en wie de Here gehoorzaam
4 3, 13| en bedroef hem niet in uw leven.~
5 4, 1 | 1 MIJN kind, laat het leven des armen geen gebrek lijden,
6 4, 13| liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg
7 5, 1 | is mij genoegzaam om te leven.~
8 6, 6 | dat velen met u in vrede leven, doch heb maar een van duizenden
9 9, 17| opdat bij u niet terstond uw leven beneme.~
10 10, 32| wie zal die eren, die zijn leven onteert?~
11 11, 14| 14 Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom
12 11, 25| zal mij voortaan in dit leven voor kwaad geschieden?~
13 13, 2 | 2 Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar
14 13, 6 | hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en
15 13, 17| Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem aan tot
16 14, 4 | van zijn goederen lekker leven.~
17 15, 17| 17 Het leven en de dood zijn voor de
18 16, 2 | 2 Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte
19 16, 30| 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in
20 18, 29| scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen
21 18, 33| verspieder zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal.~ ~
22 19, 5 | wederstaat, die kroont zijn leven.~
23 19, 6 | degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die
24 19, 8 | vriend noch bij vijand het leven van anderen, en indien het
25 20, 22| 22 Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest
26 20, 31| bestuurder te zijn van zijn eigen leven.~ ~
27 22, 7 | Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen
28 22, 12| 12 Want het leven van een dwaas is boven de
29 23, 35| God te volgen, en een lang leven, dat gij van hem aangenomen
30 25, 3 | haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord:~
31 26, 20| bewaar de beste kracht van uw leven in gezond heid, en geef
32 26, 29| zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren des krijgs
33 29, 25| Het voornaamste van het leven des mensen is water en brood
34 29, 26| 26 Het leven des armen onder een deksel
35 29, 28| 28 Het is een ellendig leven uit het ene huis in het
36 30, 5 | 5 In zijn leven zag hij hem, en was over
37 30, 17| is beter dan een bittere leven, of bijblijvende zwakheid.~
38 30, 22| des harten is des mensen leven zelf, en vrolijk heid des
39 31, 30| is de mensen gelijk het leven; indien gij deze matig drinkt.~
40 31, 31| 31 Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn
41 33, 15| tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat
42 33, 23| voleinding der dagen van uw leven, en in de tijd uws doods.~
43 34, 13| die de Here vrezen, zal leven.~
44 34, 18| ogen, hij geeft genezing, leven en zegen.~
45 34, 22| brood der behoeftigen is het leven der armen, wie hen daarvan
46 37, 19| het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is
47 37, 26| 26 Het leven van een man heeft een getal
48 37, 32| die daarop let zal zijn leven verlengen.~ ~
49 38, 14| en genezing om te mogen leven.~
50 38, 20| ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking
51 39, 13| vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten.~
52 39, 15| 15 Indien hij in het leven blijft, zo zal hij een betere
53 39, 30| voornaamste dat tot het leven des mensen nodig is, is
54 40, 17| 17 Het leven desgenen, die zich genoegen
55 40, 29| vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen;
56 40, 29| diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn
57 41, 16| 16 Een goed leven heeft een. zeker getal der
58 42, 29| 29 Al deze dingen leven en blijven in der eeuwigheid
59 48, 12| Want ook wij zullen zeker leven.~
60 48, 15| 15 En in zijn leven deed hij wonderen, en in
61 48, 26| verlengde de koning het leven.~
62 50, 1 | hogepriester, welke in zijn leven het huis des Heren heeft
63 51, 8 | de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf.~
|