Chapter, Verse
1 1, 9 | heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij
2 1, 31| 31 Want de Here zal al uw verborgen dingen openbaren,
3 2, 4 | 4 Neem gaarne aan al wat u zou mogen overkomen,
4 3, 14| ten goede, en wacht u met al uw vermogen dat gij hem
5 7, 38| 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste,
6 9, 10| getrouwde vrouw zit geheel en al niet.~
7 9, 19| Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u
8 9, 19| met de verstandigen, en al wat gij vertelt, zij naar
9 12, 5 | kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat gij hem gedaan
10 13, 13| zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw heimelijke
11 13, 17| 17 Hebt de Here lief al uw leven lang, en roep hem
12 16, 8 | niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen
13 17, 15| 15 Daarom zijn al hun werken voor hem gelijk
14 17, 16| niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor de
15 18, 26| avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig
16 22, 13| over een dwaas en goddeloze al de dagen zijns levens.~
17 22, 14| ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten.~
18 23, 14| 14 Want al deze dingen zullen verre
19 23, 18| tot scheldwoorden, die zal al de dagen zijns levens niet
20 24, 21| 21 En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende
21 24, 26| 26 Al deze dingen leert het boek
22 24, 38| heb gearbeid, maar voor al degenen die ze zoeken.~ ~ ~ ~
23 26, 6 | tegen iemand opgemaakt, al deze zijn bezwaarlijker
24 30, 15| van lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk
25 31, 15| daarom weent het vanwege al hetgeen dat het ziet.~
26 31, 25| 25 Zijt in al uw werken wakker, en geen
27 32, 3 | 3 En doe al wat nodig is te doen, en
28 33, 7 | dag de andere dag, zo toch al het licht der dagen in het
29 33, 13| leem eens pottenbakkers, al zijn wegen zijn naar zijn
30 33, 15| en ingelijks, aanschouw al de werken des Allerhoogsten,
31 33, 17| heb gearbeid, maar voor al degenen, die onderwijzing
32 33, 22| 22 Maak, dat gij in al uw werken anderen te boven
33 35, 5 | 5 Want al deze dingen moet men doen
34 35, 9 | een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende
35 36, 2 | 2 En zend uw vrees over al de volken die u niet zoeken.~
36 37, 13| op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar
37 38, 34| bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal.~
38 39, 19| 19 Looft de Here over al zijn werken met gezang der
39 39, 20| zijn alle zeer schoon, en al wat hij gebiedt geschiedt
40 39, 20| zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun
41 39, 22| 22 Al zijn welbehagen is in zijn
42 39, 33| en de honger, en de dood; al deze dingen zijn tot wraak
43 39, 38| 38 Al de werken des Heren zijn
44 39, 38| des Heren zijn goed, en al wat nodig is verleent hij
45 40, 10| 10 Al wat van aarde is, keert
46 40, 10| keert wederom tot aarde, en al wat van water is, wendt
47 41, 13| 13 Al wat uit de aarde is, zal
48 42, 20| zijn heiligen niet gegeven al zijn wonderheden te vertellen.~
49 42, 28| 28 Hoe waardig zijn al zijn werken om te begeren!
50 42, 29| 29 Al deze dingen leven en blijven
51 42, 29| blijven in der eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem
52 43, 24| een haastige genezing van al deze dingen is de nevel,
53 43, 28| door zijn woord bestaan al die dingen.~
54 43, 29| woorden voleindige, hij is het Al.~
55 43, 30| Want hij is groot boven al zijn werken.~
56 44, 8 | 8 Al deze zijn onder hun geslachten
57 46, 8 | 8 Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen,
58 46, 12| 12 Opdat al de kinderen Israëls zouden
59 47, 9 | 9 In al wat hij deed gaf hij God,
60 48, 16| 16 Door al deze dingen bekeerde zich
61 50, 13| van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun
62 50, 18| 18 Dan haastte al het volk in het gemeen,
|